Advocaat Breda van Singel Advocaten & vrijspraak doorrijden aanrijding Hof

Het Gerechtshof in Arnhem heeft een cliente van Singel Advocaten Breda, in hoger beroep vrijgesproken van doorrijden na een  aanrijding

Het Gerechtshof in Arnhem heeft een cliënt van Singel Advocaten Breda, in hoger beroep vrijgesproken van doorrijden na een  aanrijding (doorrijding na ongeval).

Het was een bijzondere casus. In eerste aanleg heeft de Politierechter geoordeeld, dat onze cliënt als bestuurder van de auto had moeten uitstappen om te controleren of er geen schade aan een andere auto was ontstaan. Als advocaat waren wij van mening dat dit een eis is die de wet niet stelt. Als je als bestuurder in een auto zit, er is niet duidelijk dat er schade is en je partner stapt uit en zegt dat ook tegen je, dan mag je daarvan uitgaan. Juridisch gezegd: Je hoeft dan niet er redelijkerwijs vanuit te gaan dat er schade is veroorzaakt.

Wij vonden als strafrechtadvocaat de veroordeling onjuist en hebben in hoger beroep juridisch betoogd waarom. Ondanks het standpunt van de advocaat-generaal (Officier van Justitie in hoger beroep) en het voorstel om toch te veroordelen, heeft het Gerechtshof het pleidooi van de advocaat gevolgd en is tot vrijspraak overgegaan

De juridische uitspraak en motivering van het Hof is hieronder vermeld:


Het hof is van oordeel dat verdachte — door na de botsing op een veilige plaats stil te gaan staan en haar toenmalige partner contact te laten leggen met aangeefster die daar ook in de buurt stilstond — in beginsel passief gelegenheid heeft geboden aan aangeefster om de identiteit van verdachte behoorlijk vast te stellen. Aangeefster heeft, hoewel zij daartoe de gelegenheid heeft gehad, zelf niet geïnformeerd naar de identiteit van verdachte. Zij heeft enkel het kenteken van de door verdachte bestuurde auto genoteerd. Overigens heeft aangeefster ook niet haar eigen identiteit aan verdachte of haar partner kenbaar gemaakt.

De vraag of verdachte in onderhavige situatie actiever zelf haar identiteit bekend had moeten (laten) maken aan aangeefster om een beroep te kunnen doen op de uitzondering van artikel 7, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 — bijvoorbeeld door uit te stappen, zelf poolshoogte te nemen en zich bij aangeefster persoonlijk bekend te maken — beantwoordt het hof ontkennend.

Voorts constateert het hof dat er geen schade is vastgesteld en het hof gaat ervan uit dat verdachte geen wetenschap had noch een vermoeden kon hebben van de door aangeefster (later) gestelde schade. Verdachte vertrouwde op de mededeling van haar toenmalige partner dat er geen schade was doch enkel een veeg, die kon worden weggepoetst. Onder de gegeven omstandigheden mocht verdachte in redelijkheid vertrouwen op de mededeling van haar toenmalige partner dat de zaak tussen hen en aangeefster was afgedaan toen hij na het gesprek met aangeefster weer instapte in de door verdachte bestuurde auto. Uit niets bleek voor verdachte dat er nog een verschil van mening zou zijn over een
eventuele schade.


Zoals uit het vorenstaande blijkt, heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte hettenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.