Minister van Rechtsbescherming. Maar voor wie eigenlijk?

Recent kwam minister Sander Dekker, Minister voor rechtsbescherming, met het wetsvoorstel om verdachten van strafbare feiten van zedendelicten verplicht aanwezig te laten zijn tijdens het voorlezen van een zogenaamde slachtofferverklaring.

Maar helpt dit slachtoffers én de rechtstaat eigenlijk wel?

In deze slachtofferverklaring geeft het slachtoffer aan wat de gevolgen zijn voor hem of haar door het strafbare feit, dat de verdachte gepleegd zou hebben. In de praktijk leidt dit in de rechtszaal vaak tot erg ongelukkige situaties, zeker indien een verdachte een strafbaar feit ontkent. Met regelmaat wordt met (begrijpelijke) emotie de verdachte aangevallen over de verschikkelijke dingen die hij heeft gedaan, waarop de verdachte, begrijpelijkerwijs, aangeeft niets met deze verklaring te kunnen nu hij het feit niet heeft gepleegd.

Volgens de minister is het voor het slachtoffer echter belangrijk degene te kunnen toespreken die hem of haar dit heeft aangedaan. Maar juist daarin schuilt het grote probleem: De verdachte is namelijk niet degene die het feit heeft begaan. Hij of zij is immers verdachte en op grond van verdragen en de wet is hij of zij onschuldig, tot het tegendeel bij rechterlijk vonnis is aangetoond. Hierbij past niet een eenzijdige 'aanval' (en niet zelden 'scheldpartij' of 'welles nietes discussie' ) in de rechtszaal van een slachtoffer, gericht tegen een verdachte.

Ik vraag mij ook zeer af wie nu eigenlijk is gebaat bij deze 'vertoning' in de rechtszaal. Niet de verdachte die het feit ontkent. Oók niet de rechtsstaat, nu immers het strafproces bij dit soort emoties niet is gebaat, als de schuldvraag nog niet is beantwoord. Men dient kost wat kost te voorkomen (wie kent de rechtsdwalingen van de afgelopen jaren niet?) dat een verdachte ten onrechte wordt veroordeeld, op grond van emoties van een slachtofffer, hoe begrijpelijk die ook kunnen zijn. En dat dit niet denkbeeldig is blijkt wel uit de rechtsdwalingen die welbekend zijn, maar ook uit de aard van het systeem zelf. De overtuiging van een rechter is daarin van cruciaal (en steeds doorslaggevender) belang, waarbij de Hoge Raad steeds minder eisen stelt voor een veroordeling in geval van mager bewijs.

Zoals de 'één getuige, géén getuige regeling'. Die juist in zedenzaken maar bitter weinig meer lijkt voor te stellen.

Dit rechtsbeginsel betekent dat iemand niet op grond van één verklaring mag worden veroordeeld. Dit beginsel wordt steeds werder uitgehold. Indien iemand bijvoorbeeld aangifte doet van een zedenfeit, de verdachte ontkent maar diezélfde aangever kort na het vermeende feit (al dan niet in emotionele staat) aan iemand anders verteld wat hem of haar is overkomen, is dit regelmatig voor een veroordeling (al) voldoende volgens de Hoge Raad. Terwijl de veroordeling dan in feite berust op één en dezelfde bron. Met deze verzwakking van dit benodigde bewijsminimum (juist) in zedenzaken, komt dan ook steeds meer waarde toe aan de benodigde overtuiging van de rechter. De wet schrijft namelijk voor dat altijd wettig maar óók overtuigend bewijs nodig is.

Juist dít risico van ongewenste beïnvloeding van de rechter, werd minister Dekker in BNR nieuwsradio meermaals voorgelegd. Het antwoord getuigde van een ongekende eenvoud en naïviteit en kwam neer op het volgende: 'De rechters zijn geleerde mensen die ik goed in staat acht hiervoor te waken'.

Maar is dat wel zo? Nee! Zonder te twijfelen aan de deskundigheid van vele (ervaren) rechters die ik in de rechtszaal tegen kom: Men hoeft geen raketgeleerde te zijn om te begrijpen, dat in een zaak waarin juist de overtuiging van het grootste belang is, een emotioneel betoog van een (al dan niet huilend) slachtoffer, bewust danwel onbewust de rechter tot diens overtuiging (en veroordeling) zal aanzetten. Óók in zaken waarin de verdachte eenvoudigweg onschuldig is

Overigens is ook het standpunt van minister Dekker dat hij de rechters zo hoog heeft zitten vreemd, nu rechters nu ook al de bevoegdheid hebben door een zogenaamd 'bevel tot medebrenging' verdachten ter zitting te laten verschijnen. (us waarom is dan dit wetsvoorstel nodig?

Daarbij zal een verdachte die zich ten onrechte aangevallen voelt, alleen maar zijn hakken verder in het zand plaatsen, wat tot een verharding in de rechtszaal zal leiden.

En juist dát is het enorme risico van dit voorstel, dat slechts voor de bühne de rechten van slachtoffers versterkt, maar in de praktijk zal leiden tot meer veroordelingen van onschuldigen. En daarbij ook tot een verdere verharding zal leiden tussen de relatie verdachte versus slachtoffer, maar ook naar mijn stellige overtuiging juist tot een verslechtering zal leiden van de positie van slachtoffers. Indien een veroordeling niet volgt, na een emotioneel betoog van een slachtoffer, zal deze zich immers alleen maar meer onbegrepen voelen. 

Bovendien laat minister Dekker met zijn wetsvoorstel naar mijn mening zien, niet gehinderd te worden door afdoende kennis van het Nederlandse Strafproces, dat men name 'inquisitoir'  van karakter is. Dit houdt in dat in Nederland, in tegenstelling tot bijvoorbeeld andere landen (Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika en in zekere zin ook België), de procesvoering met name schriftelijk is. In andere landen worden getuigen met name op zitting gehoord. Hierbij pas veelmeer een meer actieve houding van het slachtoffer, dan in het Nederlandse strafsysteem.

Temeer nu in de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie veel belang wordt gehecht aan het kunnen bevragen van getuigen, zeker indien die onderdeel zijn van de bewijsvoering. Hiervoor biedt het huidige Nederlandse strafproces nu eenmaal minder ruimte.

De kans is mijns inziens dan ook reëel, dat (al dan niet vermeende) slachtoffers van misdrijven, als die ter zitting allerlei zaken naar voren brengen die het proces kunnen beïnvloeden, meer en meer als getuigen zullen worden opgeroepen en dan een belastende gang van een ondervraging zullen moeten doormaken. Het is namelijk zéér de vraag of het Europese Hof van Justitie wel zal accepteren dat slachtoffers allerlei zaken naar voren mogen brengen (zeker over de feiten) als hierbij het recht wordt ontzegd om deze getuige aan een kritische ondervraging te kunnen onderwerpen. Een strafproces dient daarbij op grond van artikel 6 EVRM (Europees Verdrag voor de rechten van de mens) ook in zijn algemeenheid ' erlijk' (fair) te zijn. De wetswijziging van de minister, zou de balans op dat punt wel eens kunnen doen overslaan. Ook kan het leiden tot onnodige verlengingen (uitstellen) van het strafproces, voor het nader bevragen van het slachtoffer als getuige, dat ook nu door zijn duur al een enorme belasting voor een slachtoffer betekent.

Al met al zal dit onzalige voorstel leiden tot een verdere criminalisering van een (nog niet veroordeelde) verdachte, en een verdere traumatisering van slachtoffers, die minister Dekker van rechtsbescherming stelt te beschermen. Het is dan ook zeer de vraag wie dit wetsvoorstel nu eigenlijk dient...

Kan het anders? Jazeker. Men kan nadát een verdachte is veroordeeld een zitting beleggen (en introduceren in het Nederlandse Strafproces) waar de strafmaat aan de orde komt en het slachtoffer diens verhaal kan vertellen en de gevolgen van het strafbare feit. Ook in de Verenigde Staten kent men zo een systeem, nadat een verdachte is veroordeeld. En dat is niet voor niets.

Dat kost extra zittingcapaciteit en extra geld. Maar als de minister van rechtsbescherming zijn titel wil waarmaken, écht geeft om slachtoffers, hun rechten maar ook hun (soms) precaire emotionele situatie, dan dient in deze geld geen rol te spelen. In het belang van verdachten dus, de rechtsstaat én de slachtoffers.

mr. S. (Sander) Arts van Singel Advocaten is meer dan twintig jaar strafrechtadvocaat en behandelt slechts strafzaken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bekijk meer van