Uitleg recht op advocaat bij politieverhoor
Mr. Sander Arts, Strafrecht Advocaat geeft uitleg over het Saldüz Arrest: Het recht op bijstand van een advocaat voorafgaande aan en tijdens een Politieverhoor.
Saldüz Arrest
Het is enige tijd geleden dat de Hoge Raad uitspraak deed in de zogenaamde Saldüz kwestie. De zaak Saldüz ging over een zaak aangespannen door een turkse verdachte tegen de Turkse Staat bij het Europese Hof (30 juni 2009; Hoge Raad 08/024110).
In deze zaak heeft het Europese Hof uitspraak gedaan, die verstrekkende gevolgen heeft gehad voor de Nederlandse Strafpraktijk. Kort gezegd heeft het Europese Hof geoordeeld dat een nationale staat (zoals Nederland) dient zorg te dragen voor een behoorlijk strafproces en te voorzien in deugdelijke bijstand door een raadsman voorafgaande aan het verhoren door politie.
Praktijk in Nederland
In Nederland was het jarenlang praktijk dat een verdachte door de politie werd aangehouden en onmiddellijk werd verhoord. Een advocaat of raadsman werd pas vele uren later ingeschakeld. De wet voorzag namelijk pas in het recht op een advocaat nadat de verdachte in verzekering werd gesteld, wat pas na vele uren na de aanhouding verplicht was. De uren in de nacht telden daarbij ook niet eens mee.
Het gevolg was dan ook vaak dat een verdachte al lang en breed een verklaring had afgelegd, voordat een advocaat ook maar op de hoogte werd gesteld van een aanhouding. Regelmatig stelde ik vraagtekens bij deze gang van zaken in Nederland, nu een aangehouden verdachte in een moeilijke positie zit: Men moet in een politiecel wel een hele rechte rug kunenn houden om geen verklaring aft e leggen. Zeker als mededelingen worden gedaan als: ‘Je kan wel een advocaat krijgen, maar dan duurt het langer;’ of: ‘ Als je een verklaring aflegt kom je sneller vrij’. Allemaal mededelingen die zich in mijn strafpraktijk regelmatig bereikten.
Uitleg Hoge Raad van Saldüz Arrest:
Naar aanleiding van het Saldüz arrest (overigens is ook de zaak Panovitz van belang geweest) heeft de Hoge Raad een uitleg gegeven aan deze uitspraak voor de Nederlandse Rechtspraktijk. De vraag is overigens of deze – soms wat beperkte - uitleg van de Hoge Raad voor het Europese Hof stand zal houden. De tijd zal dat leren.
Vooralsnog meent de Hoge Raad dat uit deze uitspraak niet het algemeen recht kan worden afgeleid op aanwezigheid van een advocaat bij een politieverhoor. Wel dient een verdachte de gelegenheid te worden geboden om voorafgaand aan het verhoor, een advocaat te spreken/raadplegen, Aldus de Hoge Raad. Een jeugdige verdachte heeft daarbij tevens recht op bijstand tijdens het politieverhoor, aldus de Hoge Raad.
Dit houdt volgende de Hoge Raad in dat een verdachte voorafgaande aan het verhoor daadwerkelijk op dit recht dient te worden gewezen. Ook dient dit recht behoorlijk e worden geffectueerd, als een verdachte heeft aangegeven van dit recht gebruik te willen maken. Als die niet behoorlijk gebeurt, is het mogelijk hier in de rechtzaak een beroep op te doen en kan mogelijk de verklaring niet als bewijs worden gebruik, met mogelijk een vrijspraak tot gevolg. In diverse zaken heb ik op grond hiervan dan ook een vrijspraak bereikt. Het is belangrijk deze verweren ter zitting van de Politierechter, Meervoudige strafkamer of Gerechtshof, door uw strafrechtadvocaat te laten voeren.
Afstand van dit recht dient duidelijk te worden gedaan en vastgelegd.
De huidige lagere rechtspraak
In de lagere rechtspraak (rechtbanken en Hoven) zijn inmiddels tal van uitspraken gewezen. De algemene tendens lijkt te zijn, dat ook een minderjarige afstand kan doen van dit recht. Dit lijkt mij een aanvechtbaar punt. Afhankelijk van de omstandigheden (leeftijd, mate van druk) kan worden betoogd dat een afstandsverklaring niet vrijwillig is gedaan. Ik heb geconstateerd dat diverse politiekorpsen gebruik maken van een standaardformulier, waarop is vermeld dat men van dit recht geen gebruik wil maken. Als dit wordt getekend, kan het een moeilijke discussie worden om aannemelijk te maken dat men onder druk is gezet. De agent zal dit immers veelal ontkennen. Het advies van Singel Advocaten blijft dan ook nooit een formulier te tekenen, voordat u met uw strafrecht advocaat heeft gesproken.
Ter voorkoming van een schijnrecht en handhaving van de Salduz-gedachte, lijkt het mij dan ook de voorkeur te verdienen dat minderjarigen geen afstand zouden moeten kunnen doen van het recht voorafgaand aan het verhoor een advocaat te spreken.
Verder blijkt uit de rechtspraak dat het recht tot overleg met een advocaat – en de plicht van politie een verdachte daarop te wijzen – slechts zou gelden voor verdachten die zijn aangehouden. Verdachten die vrijwillig verschijnen na een uitnodiging, zouden dit recht niet hebben. Zij hebben immers voldoende gelegenheid gehad voorafgaande aan het verhoor om een advocaat te raadplegen, zo is de gedachte. Een merkwaardige gedachte, zo komt mij voor. Je kan je immers afvragen hoe vrijwillig een verdachte verschijnt op een poltiiebureau en of hij alles wel goed overziet, zeker nu politie bij een uitnodiging vaak niet eens uitlegt waar het allemaal precies over gaat, laat staan dat uitleg zou worden gegeven aan een verdachte.
Ten slotte is in de jurisprudentie de tendens af te leiden, dat men – al is een verdachte niet deugdelijk op zijn rechten gewezen - hier niets mee doet, als ter zitting blijkt dat de verdachte niet in zijn belangen is geschaad. Als de verdachte ter zitting niet uitdrukkelijk afstand doet van zijn eerdere afgelegde verklaring, is de gedachte dan: “ Er is een fout gemaakt, maar omdat de verdachte ter zitting niet heeft aangegeven dat zijn verklaring niet juist was, houden wij hem toch aan zijn verklaring”.
Het is dan ook belangrijk tijdig met uw strafrechtadvocaat te overleggen en deze verweren door uw advocaat ter zitting te laten voeren.
Ontwikkelingen
Wij houden de ontwikkelingen verder nauwgezet in de gaten. De vraag is of de – mogelijk wat beperkte – uitleg van de Hoge Raad stand zal houden bij het Europese Hof, maar het duurt meestal geruime tijd voordat een zaak weer bij dit Hof voorkomt. In de tussentijd is het verstandig het hoofd koel te houden en uw strafrecht advocaat de verweren goed te laten voeren op zitting, zeker als u moet voorkomen bij de politierechter, meervoudige strafkamer of het Gerechtshof.
Huidig advies bij een politieverhoor
Een eenmaal afgelegde verklaring is altijd moeilijk in te trekken, Saldüz of niet. Ons advies is en blijft dan ook, nooit een verklaring afleggen, voordat u met uw advocaat heeft gesproken.
Wij zijn als strafrecht advocaat ook in spoedeisende kwesties te bereiken op 06-41283986. Laat u niet van de wijs brengen door opmerkingen als “als u verklaart bent u sneller vrij’, ‘ uw advocaat kan/wil niet komen’, “als u van dit recht gebruik maakt wordt u in verzekering gesteld; lees: duurt het langer of komt u niet vrij”. Onthoudt: Hoe meer de politie bij u aandringt, hoe meer belang zij er mogelijk zelf bij heeft! Niet alle politieagenten doen dit overigens verkeerd: Er zijn zeker vele ambtenaren die op een zeer behoorlijke manier met uw rechten omgaan. Maar anderzijds is het goed te onthouden in uw situatie: “ De politie is niet altijd uw beste vriend!”.
U komt dan mogelijk terecht in de situatie: “ Verklaren is zitten op de blaren”.
Onze gegevens
Als u een aanhouding verwacht, is het van belang met spoed en zo mogelijk voorafgaand al contact opnemen met een ervaren strafrecht-advocaat (en specialist):
Singel Advocaten
Postbus 1045
4801 BA Breda
076-5319583
06-41283986 (spoed)
info@singeladvocaten.nl
De tekst van de uitspraak van de Hoge Raad vindt u hieronder
Uitspraak
30 juni 2009
Strafkamer
nr. S 08/02411 J
KM/SM
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 april
2008, nummer 22/002501-07, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Normal">05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 2 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W. Römelingh, advocaat
te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest
gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Aan de beoordeling van de middelen voorafgaande beschouwingen
2.1. In dit arrest is de vraag aan de orde welke consequenties moeten worden verbonden aan de
recente rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de
verenigbaarheid van het gebruik tot het bewijs van tijdens een verhoor door de politie afgelegde
verklaringen van een verdachte met art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens (EVRM). Het gaat in het bijzonder om de uitspraak van het EHRM van 27 november 2008,
nr 36391/02, NJ 2009, 214 ( Salduz tegen Turkije).
2.2. Art. 6 EVRM luidt:
"1. In the determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him,
everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable time by an independent and
impartial tribunal established by law. Judgment shall be pronounced publicly but the press and
public may be excluded from all or part in the trial of the interests of morals, public order or
national security in a democratic society, where the interests of juveniles or the protection of the
private life of the parties so require, or to the extent strictly necessary in the opinion of the court
in special circumstances where publicity would prejudice the interests of justice.
(...)
3. Everyone charged with a criminal offence has the following minimum rights:
(b) to have adequate time and facilities for the preparation of his defence;
(c) to defend himself in person or through legal assistance of his own choosing or, if he has not
sufficient means to pay for legal assistance, to be given it free when the interests of justice so
require;
(...)"
2.3.1. De zaak- Salduz betreft een ten tijde van zijn arrestatie 17-jarige verdachte die ter
zake van deelneming aan een verboden demonstratie door het State Security Court in Turkije is
veroordeeld tot een gevangenisstraf van tweeëneenhalf jaar. In die zaak zijn belastendeS">
verklaringen van de verdachte voor het bewijs gebezigd die hij had afgelegd tijdens een verhoor
door de politie zonder dat hij van rechtsbijstand was voorzien. Het EHRM oordeelde in die zaak
"that there has been a violation of Article 6 § 3 (c) of the Convention in conjunction with Article
6 § 1, on account of the lack of legal assistance to the applicant while he was in police custody".
2.3.2. Dit oordeel steunt in het bijzonder op de volgende overwegingen:
"3. The Court's assessment
(a) The general principles applicable in this case
50. The Court reiterates that, even if the primary purpose of Article 6, as far as criminal
proceedings are concerned, is to ensure a fair trial by a "tribunal" competent to determine "any
criminal charge", it does not follow that the Article has no application to pre-trial proceedings.
Thus, Article 6 - especially paragraph 3 - may be relevant before a case is sent for trial if and so
far as the fairness of the trial is likely to be seriously prejudiced by an initial failure to comply
with its provisions (Imbrioscia, cited above, § 36). As the Court has already held in its previous
judgments, the right set out in paragraph 3 (c) of Article 6 of the Convention is one element,
amongst others, of the concept of a fair trial in criminal proceedings contained in paragraph 1
(Imbrioscia, cited above, § 37, and Brennan, cited above, § 45).
51. The Court further reiterates that although not absolute, the right of everyone charged with a
criminal offence to be effectively defended by a lawyer, assigned officially if need be, is one of
the fundamental features of fair trial (Poitrimol v. France, 23 November 1993, § 34, Series A no.
277-A, and Demebukov v. Bulgaria, no. 68020/01, § 50, 28 February 2008). Nevertheless,
Article 6 § 3 (c) does not specify the manner of exercising this right. It thus leaves to the
Contracting States the choice of the means of ensuring that it is secured in their judicial
systems, the Court's task being only to ascertain whether the method they have chosen is
consistent with the requirements of a fair trial. In this respect, it must be remembered that the
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 3 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
Convention is designed to "guarantee not rights that are theoretical or illusory but rights that are
practical and effective" and that assigning counsel does not in itself ensure the effectiveness of
the assistance he may afford an accused (Imbrioscia, cited above, § 38).
52. National laws may attach consequences to the attitude of an accused at the initial stages of
police interrogation which are decisive for the prospects of the defence in any subsequent
criminal proceedings. In such circumstances, Article 6 will normally require that the accused be
allowed to benefit from the assistance of a lawyer already at the initial stages of police
interrogation. However, this right has so far been considered capable of being subject to
restrictions for good cause. The question, in each case, has therefore been whether the
restriction was justified and, if so, whether, in the light of the entirety of the proceedings, it has
not deprived the accused of a fair hearing, for even a justified restriction is capable of doing so
in certain circumstances (see John Murray, cited above, § 63; Brennan, cited above, § 45, and
Magee, cited above, § 44).
53. These principles, outlined in paragraph 52 above, are also in line with the generally
recognised international human rights standards (see paragraphs 37-42 above) which are at the
core of the concept of a fair trial and whose rationale relates in particular to the protection of the
accused against abusive coercion on the part of the authorities. They also contribute to the
prevention of miscarriages of justice and the fulfilment of the aims of Article 6, notably equality
of arms between the investigating or prosecuting authorities and the accused.
54. In this respect, the Court underlines the importance of the investigation stage for the
preparation of the criminal proceedings, as the evidence obtained during this stage determines
the framework in which the offence charged will be considered at the trial (Can v. Austria, no.
9300/81, Commission's report of 12 July 1984, § 50, Series A no. 96). At the same time, an
accused often finds himself in a particularly vulnerable position at that stage of the proceedings,
the effect of which is amplified by the fact that legislation on criminal procedure tends to become
increasingly complex, notably with respect to the rules governing the gathering and use of
evidence. In most cases, this particular vulnerability can only be properly compensated for by
the assistance of a lawyer whose task it is, among other things, to help to ensure respect of the
right of an accused not to incriminate himself. This right indeed presupposes that the
prosecution in a criminal case seek to prove their case against the accused without resort to
evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the
accused (see Jalloh v. Germany [GC], no. 54810/00, § 100, ECHR 2006-..., and Kolu v. Turkey,
no. 35811/97, § 51, 2 August 2005). Early access to a lawyer is part of the procedural
safeguards to which the Court will have particular regard when examining whether a procedure
has extinguished the very essence of the privilege against self-incrimination (see, mutatis
mutandis, Jalloh, cited above, § 101). In this connection, the Court also notes the
recommendations of the CPT (paragraphs 39-40 above), in which the committee repeatedly
stated that the right of a detainee to have access to legal advice is a fundamental safeguard
against ill-treatment. Any exception to the enjoyment of this right should be clearly
circumscribed and its application strictly limited in time. These principles are particularly called
for in the case of serious charges, for it is in the face of the heaviest penalties that respect for
the right to a fair trial is to be ensured to the highest possible degree by democratic societies.
55. Against this background, the Court finds that in order for the right to a fair trial to remain
sufficiently "practical and effective" (see paragraph 51 above) Article 6 § 1 requires that, as a
rule, access to a lawyer should be provided as from the first interrogation of a suspect by the
police, unless it is demonstrated in the light of the particular circumstances of each case that
there are compelling reasons to restrict this right. Even where compelling reasons may
exceptionally justify denial of access to a lawyer, such restriction - whatever its justification -
must not unduly prejudice the rights of the accused under Article 6 (see, mutatis mutandis,
Magee, cited above, § 44). The rights of the defence will in principle be irretrievably prejudiced
when incriminating statements made during police interrogation without access to a lawyer are
used for a conviction.
56. - 58. (...)
59. The Court further recalls that neither the letter nor the spirit of Article 6 of the Convention
prevents a person from waiving of his own free will, either expressly or tacitly, the entitlement
to the guarantees of a fair trial (see Kwiatkowska v. Italy (dec.), no. 52868/99, 30 November
2000). However, if it is to be effective for Convention purposes, a waiver of the right to take
part in the trial must be established in an unequivocal manner and be attended by minimum
safeguards commensurate to its importance (see Sejdovic v. Italy [GC], no. 56581/00, § 86,
ECHR 2006-...; Kolu, cited above, § 53, and Colozza v. Italy, 12 February 1985, § 28, Series A
no. 89). Thus, in the present case, no reliance can be placed on the assertion in the form stating
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 4 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
his rights that the applicant had been reminded of his right to remain silent (see paragraph 14
above)."
2.4. Het opstellen van een algemene regeling van de rechtsbijstand met betrekking tot het
politieverhoor gaat - mede gelet op de beleidsmatige, organisatorische en financiële aspecten -
de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten. Niettemin roept de rechtspraak van het
EHRM vragen op die de strafrechter in voorkomende gevallen dient te beantwoorden. Daartoe
dient het navolgende.
2.5. De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie
is aangehouden, aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat
hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande
zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Uit de rechtspraak van het
EHRM kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een
advocaat bij het politieverhoor.
Het vorenoverwogene brengt mee dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het
eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat.
Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval
ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende
redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid
moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken.
2.6. Het voorgaande ziet zowel op aangehouden strafrechtelijk volwassenen als op aangehouden
strafrechtelijk jeugdigen. Opmerking verdient dat voor aangehouden jeugdige verdachten geldt
dat zij tevens recht hebben op bijstand door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon
tijdens het verhoor door de politie.
2.7.1. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de
gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te
raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv.
2.7.2. Gelet op de uitleg die in HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004, 376 aan deze bepaling
is gegeven, moet de rechter, indien ter zake verweer wordt gevoerd, beoordelen of aan een
verzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in
aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a
Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden
gerechtvaardigd. Een van die factoren is "de ernst van het verzuim". Op grond van de
rechtspraak van het EHRM moet worden aangenomen dat in gevallen waarvan hier sprake is,
een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.
Daarom zal, mede gelet op de overwegingen van het EHRM in de hiervoor onder 2.3.2
weergegeven § 55, na een daartoe strekkend verweer het in 2.7.1 omschreven vormverzuim in
de regel - dus afgezien van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de door de
verdachte gedane afstand van het recht om een advocaat te raadplegen alsmede de door het
EHRM gereleveerde dwingende redenen - dienen te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de
verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.
2.7.3. Opmerking verdient dat het voorgaande ook geldt voor een verweer dat betrekking heeft
op bewijsmateriaal dat is verkregen als een rechtstreeks gevolg van een voor het bewijs
onbruikbare verklaring zoals hiervoor bedoeld. Of van zo'n rechtstreeks gevolg kan worden
gesproken, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, zij het dat bewijsuitsluiting in beginsel
niet in aanmerking komt ten aanzien van verklaring(en) die de verdachte nadien heeft afgelegd
nadat hij een advocaat heeft kunnen raadplegen en hem de in art. 29, tweede lid, Sv bedoelde
mededeling is gedaan dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Daarnaast verdient nog opmerking
dat de verdachte geen belang heeft bij een bespreking van zijn tot bewijsuitsluiting strekkende
verweer indien materiaal ten aanzien waarvan een beroep is gedaan op bewijsuitsluiting, door de
rechter niet voor het bewijs wordt gebezigd.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt over schending van art. 41 Sv, art. 6 EVRM en art. 40, tweede lid, sub b
onder III, Verdrag inzake de rechten van het kind, doordat aan de minderjarige verdachte niet
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 5 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
tijdig een raadsman is toegevoegd als gevolg waarvan hij zonder bijstand van een raadsman
door de politie over de feiten is verhoord.
3.2. Ingevolge art. 78, eerste lid, Wet RO kan beroep in cassatie alleen gericht zijn tegen
handelingen en uitspraken van de rechter. Het middel miskent dat, zodat het faalt.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere
motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de
rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren
J.P. Balkema, H.A.G. Splinter-van Kan, C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier
S.P. Bakker, en uitgesproken op 30 juni 2009.
Conclusie
Nr. 08/02411 J
Mr. Knigge
Zitting: 17 februari 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
Inhoudsopgave
1-3 Het ingestelde beroep
4. Inleidende opmerkingen
5. De uitspraken van het Europese Hof
6. Vraagstelling
7. Analyse en interpretatie I (raadsman bij politieverhoor?)
8. Analyse en interpretatie II (uitwerking)
9. Vertaalslag I (het politieverhoor)
10. Vertaalslag II (bewijsuitsluiting)
11. Vertaalslag III (de toetsing in cassatie)
12. De bespreking van de middelen
13-14 Afronding
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage op 18 april 2008 vrijgesproken van
opzetheling en voor schuldheling veroordeeld tot een werkstraf van twintig uren, subsidiair tien
dagen jeugddetentie.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. W. Römelingh, advocaat te 's-Gravenhage, vier middelen van
cassatie voorgesteld.
4. Inleidende opmerkingen
4.1 De vier middelen klagen, als zij in onderling verband worden bezien, er in de kern over dat
het Hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van door de verdachte betwiste verklaringen die
hij als minderjarige verdachte tegenover de politie heeft afgelegd zonder dat hij van
rechtsbijstand was voorzien.
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 6 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
4.2 Deze klacht verdient bijzondere aandacht vanwege twee recente (na het indienen van de
schriftuur gewezen) uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Het gaat om
EHRM 27 november 2008, 36391/02 ( Salduz v. Turkey) en om EHRM 11 december 2008,
4268/04, (Panovits v. Cyprus). In beide zaken was sprake van een minderjarige verdachte die
zonder rechtsbijstand was gehoord door de politie en wiens verklaringen, hoewel achteraf
betwist, voor het bewijs waren gebezigd. In beide arresten oordeelde het Europese Hof dat art. 6
EVRM was geschonden.
4.3 Deze arresten zijn niet onopgemerkt gebleven. Zij haalden de landelijke pers(1); de eerste
vakpublicaties zijn inmiddels verschenen.(2) Er zijn kamervragen gesteld waarop de minister van
Justitie op 28 januari 2009 heeft geantwoord dat nader onderzoek nodig is om de precieze
betekenis van het arrest vast te stellen. Hij zegde toe de Kamer vóór Pasen te berichten over de
consequenties van de uitkomsten van dit onderzoek "ten aanzien van het bestaande beleid of het
geldende recht".(3) Het Openbaar Ministerie heeft een vrijblijvend advies naar de verschillende
parketten gezonden over hoe te handelen(4). Een uitspraak van de voorzieningenrechter is
gevraagd(5). Onbegrijpelijk is dit alles bepaald niet. De arresten kunnen grote consequenties
hebben voor de Nederlandse strafrechtspleging. Op de korte termijn speelt vooral de vraag of de
advocaat moet worden toegelaten tot het politieverhoor. Op de wat langere termijn speelt de
vraag welke consequenties de arresten moeten of zullen hebben voor onder meer de regeling
van het voorarrest, de gefinancierde rechtsbijstand en, niet te vergeten, de opsporing. Naar het
zich laat aanzien zal het (eerste) politieverhoor als middel van waarheidsvinding sterk aan
betekenis inboeten. De behoefte aan vervangende (privacygevoelige) opsporingsmethoden zal
daardoor mogelijk toenemen.(6)
4.4 Het gaat hier om een problematiek die primair op het bord van de wetgever ligt. Van de
vraag of en in hoeverre de wettelijke regeling aanpassing behoeft, moet de rechter gepaste
afstand bewaren. Dat neemt niet weg dat de beide arresten van het Europese Hof acute
rechtsvragen oproepen, waarmee de rechterlijke macht wordt geconfronteerd. Over de
beantwoording van die vragen bestaat grote rechtsonzekerheid. Het is daarom wenselijk dat de
Hoge Raad in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling (zijn aandachtsgebied
bij uitstek) op zo kort mogelijke termijn althans een begin van duidelijkheid verschaft.
4.5 Het is met het oog daarop dat ik mij enige beschouwingen veroorloof die de bespreking van
de in deze zaak voorgedragen cassatiemiddelen in zoverre te buiten gaan dat zij voor de
afdoening van de middelen maar ten dele van belang zijn. Het gaat daarbij om het schetsen van
een algemeen kader, om het formuleren van algemene gezichtspunten die richtinggevend zijn
voor de beoordeling van klachten als de onderhavige in concrete gevallen. Meer is niet beoogd.
Een pasklaar antwoord op alle vragen die rijzen, houdt het navolgende niet in. Wel een richting
waarin het antwoord gezocht zou kunnen worden.
4.6 Ik geeft de Hoge Raad in overweging in de motivering van zijn in deze zaak te geven
uitspraak inzicht te geven in het beoordelingskader dat hij heeft gehanteerd.
5. De uitspraken van het Europese Hof
5.1 Ik meen de casusposities die aan de beide arresten van het Europese Hof ten grondslag
liggen, bekend te mogen veronderstellen. Ik noteer slechts dat het in beide zaken om
minderjarige verdachten gaat die van ernstige misdrijven werden verdacht en die daarvoor tot
forse vrijheidsstraffen zijn veroordeeld. Beide veroordelingen berustten (mede) op verklaringen
van de verdachten die tijdens de eerste politieverhoren door hen waren afgelegd. In beide
gevallen was bij die verhoren geen sprake geweest van enige vorm van rechtsbijstand. De
verdachten hadden niet voorafgaande aan de verhoren met een advocaat kunnen overleggen
over de te kiezen proceshouding. Ook tijdens de verhoren was geen advocaat aanwezig geweest.
5.2 Voor de overwegingen van het Europese Hof meen ik eveneens te mogen verwijzen naar de
arresten zelf. Van een integrale weergave van die overwegingen zie ik dus af. Ik volsta met het
opnemen van die overwegingen uit beide arresten waarin naar mijn oordeel de kern van de zaak
het meest helder tot uitdrukking komt.
5.3 In de zaak Salduz tegen Turkije gaat het om een unaniem oordeel van de Grote Kamer.
De gebruikelijke weergave van de toepasselijke "general principles" mondt uit in de volgende
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 7 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
overweging (§ 55):
" Against this background, the Court finds that in order for the right to a fair trial to remain
sufficiently "practical and effective" (see paragraph 51 above) Article 6 § 1 requires that, as a
rule, access to a lawyer should be provided as from the first interrogation of a suspect by the
police, unless it is demonstrated in the light of the particular circumstances of each case that
there are compelling reasons to restrict this right. Even where compelling reasons may
exceptionally justify denial of access to a lawyer, such restriction - whatever its justification -
must not unduly prejudice the rights of the accused under Article 6 (see, mutatis mutandis,
Magee, cited above, § 44). The rights of the defence will in principle be irretrievably prejudiced
when incriminating statements made during police interrogation without access to a lawyer are
used for a conviction."
5.4 De uitspraak in de zaak Panovits tegen Cyprus is niet afkomstig van de Grote Kamer. Het
oordeel werd gegeven met de grootst mogelijke meerderheid (zes stemmen tegen één). Het
Europese Hof overweegt in dit arrest onder meer (§§ 66, 67 en 68):
" 66. As regards the applicant's complaints which concern the lack of legal consultation at the
pre-trial stage of the proceedings, the Court observes that the concept of fairness enshrined in
Article 6 requires that the accused be given the benefit of the assistance of a lawyer already at
the initial stages of police interrogation. The lack of legal assistance during an applicant's
interrogation would constitute a restriction of his defence rights in the absence of compelling
reasons that do not prejudice the overall fairness of the proceedings.
67. The Court notes that the applicant was 17 years old at the material time. In its case-law on
Article 6 the Court has held that when criminal charges are brought against a child, it is
essential that he be dealt with in a manner which takes full account of his age, level of maturity
and intellectual and emotional capacities, and that steps are taken to promote his ability to
understand and participate in the proceedings (see T. v. the United Kingdom [GC], no.
24724/94, 16 December 1999, § 84). The right of an accused minor to effective participation in
his or her criminal trial requires that he be dealt with with due regard to his vulnerability and
capacities from the first stages of his involvement in a criminal investigation and, in particular,
during any questioning by the police. The authorities must take steps to reduce as far as
possible his feelings of intimidation and inhibition (see, mutatis mutandis, T. v. the United
Kingdom, cited above, § 85) and ensure that the accused minor has a broad understanding of
the nature of the investigation, of what is at stake for him or her, including the significance of
any penalty which may be imposed as well as of his rights of defence and, in particular, of his
right to remain silent (mutatis mutandis, S.C. v. the United Kingdom, no. 60958/00, § 29, ECHR
2004-IV). It means that he or she, if necessary with the assistance of, for example, an
interpreter, lawyer, social worker or friend, should be able to understand the general thrust of
what is said by the arresting officer and during his questioning by the police (ibid).
68. The Court reiterates that a waiver of a right guaranteed by the Convention - in so far as it is
permissible - must not run counter to any important public interest, must be established in an
unequivocal manner and must be attended by minimum safeguards commensurate to the
waiver's importance (Håkansson and Sturesson v. Sweden, 21 February 1990, Series A No. 171,
§ 66, and most recently Sejdovic v. Italy [GC], no. 56581/00, § 86, ECHR 2006-...). Moreover,
before an accused can be said to have impliedly, through his conduct, waived an important right
under Article 6, it must be shown that he could reasonably have foreseen what the consequences
of his conduct would be (see Talat Tunç v. Turkey, no. 32432/96, 27 March 2007, § 59, and
Jones v. the United Kingdom (dec.), no. 30900/02, 9 September 2003). The Court considers
that given the vulnerability of an accused minor and the imbalance of power to which he is
subjected by the very nature of criminal proceedings, a waiver by him or on his behalf of an
important right under Article 6 can only be accepted where it is expressed in an unequivocal
manner after the authorities have taken all reasonable steps to ensure that he or she is fully
aware of his rights of defence and can appreciate, as far as possible, the consequence of his
conduct."
6. Vraagstelling
6.1 Wat opvalt, is dat de algemene uitgangspunten die het Europese Hof in beide arresten (
Salduz , § 55; Panovits, § 66) formuleert, in nogal absolute bewoordingen zijn gegoten. Zij
nemen de gedaante aan van regels, regels die weinig ruimte lijken te laten voor een
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 8 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
genuanceerde benadering op basis van de bijzonderheden van het geval. De toepassing die het
Europese Hof in beide arresten aan deze uitgangspunten geeft bij de beoordeling van de
concrete klachten lijkt dat slechts te ond erstrepen. Kort samengevat komt het erop neer dat de
verdachte die door de politie wordt gehoord, enige vorm van rechtsbijstand moet hebben en dat,
als het daaraan heeft ontbroken, diens tijdens het politieverhoor afgelegde verklaringen niet
tegen hem mogen worden gebruikt.
6.2 Daarmee is een moeilijk mis te verstaan signaal afgegeven. Duidelijk is dat er het nodige
aan de inrichting van het politieverhoor in de Nederlandse strafrechtspleging schort. Dat neemt
niet weg dat er ook nog veel onduidelijk is. Dat komt voor een deel doordat de arresten van het
Hof op bepaalde punten niet glashelder zijn en doordat zij niet op alle punten ingaan. Het gaat
daarbij om de interpretatie van de arresten. Voor een ander deel komt dat doordat de
consequenties voor de Nederlandse rechtspraktijk moeilijk zijn te overzien. Het gaat daarbij om
de vertaalslag die gemaakt moet worden van die arresten naar de Nederlandse situatie. Over de
consequenties voor de Nederlandse strafrechtspleging wordt in de arresten uiteraard geen
uitspraak gedaan. Dat zullen we zelf moeten bedenken.
6.3 Het onderscheid tussen een en ander is natuurlijk weinig scherp, maar scherp genoeg om de
indeling van deze conclusie op te baseren. Ik zal eerst op de betekenis van de arresten "als
zodanig" ingaan. Dat geschiedt in paragrafen 7 en 8, waarin ik zal pogen de arresten nader te
analyseren. Op basis van de gegeven analyse zal ik vervolgens ingaan op de consequenties die
de arresten hebben voor de Nederlandse strafrechtspleging.
6.4 Ik concentreer mij bij dit alles op de volgende vier vragen.
(1) Wat houdt het recht op legal assistance/access to a lawyer met betrekking tot het
politieverhoor in? Meer in het bijzonder: moet de raadsman toegelaten worden tot het
politieverhoor?
(2) Wanneer is sprake van een rechtsgeldige afstand van dat recht? Het gaat daarbij in het
bijzonder om de vraag hoe actief de politie zich moet opstellen om het recht op rechtsbijstand te
realiseren en om de vraag of de rechtsbijstand kosteloos dient te worden verschaft.
(3) Hoe ver gaat het verbod om de zonder rechtsbijstand tegenover de politie afgelegde
verklaringen te gebruiken?
(4) Wat is te dezen de taak van de Hoge Raad? Meer in het bijzonder: kan voor het eerst in
cassatie geklaagd worden over het ontbreken van rechtsbijstand bij het politieverhoor?
6.5 Ik teken daarbij aan dat de uitspraken van het Europese Hof gezien kunnen worden als
momentopnamen in een rechtsontwikkeling die nog niet is voltooid. Het concept van de
dynamische verdragsinterpretatie brengt mee dat het Europese Hof rekening moet houden met
de ontwikkelingen in de Verdragsstaten "and must respond to any emerging consensus as to the
standards to be achieved".(7) In de zaak Salduz geeft het Europese Hof eerst een overzicht
van zijn eerdere jurisprudentie en de daarin ontwikkelde uitgangspunten en principes, wijst
daarbij op de in het arrest weergegeven "generally recognised international human rights
standards" (§ 53) en merkt dit geheel aan als "the background" die de thans in het arrest
gezette stap verklaarbaar en aanvaardbaar maakt (§ 55). Het is niet ondenkbaar en misschien
zelfs wel waarschijnlijk dat het bij deze stap niet zal blijven en dat het recht op rechtsbijstand bij
het politieverhoor in de toekomst nog nader zal worden geconcretiseerd. Ik merk daarbij op dat
tal van landen binnen de Raad van Europa reeds de raadsman bij het politieverhoor toelaten.(8)
Ook in Nederland zijn bewegingen in die richting te bespeuren. In het kader van het project
Strafvordering 2001 werd voorgesteld de aangehouden verdachte het recht te geven
voorafgaand aan zijn verhoor met een (bij voorkeur op het politiebureau te stationeren)
advocaat te overleggen.(9) Recent zijn in de arrondissementen Amsterdam en Rotterdam
experimenten gestart met betrekking tot de toelating van de raadsman tot het
politieverhoor.(10)
6.6 Als het om de interpretatie van de nu gewezen arresten gaat, om het bepalen van hun
betekenis, kan op twee manieren te werk worden gegaan. Men kan zich beperken tot de opname
van het moment, tot de stand van de rechtsontwikkeling zoals die in de gewezen arresten tot
uitdrukking komt. Het gaat dan om het standpunt van het Europese Hof zoals dat blijkt uit de
arresten zelf (bezien in het licht van de eerdere jurisprudentie). Eventuele onduidelijkheden in de
arresten en vragen die daarin zijn open gebleven, worden daarbij gelaten voor wat zij zijn.
Daarover is het standpunt van het Hof nog niet duidelijk of nog niet bekend. De vraag is dan
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 9 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
bijvoorbeeld of de arresten dwingen tot de conclusie dat de raadsman tot het politieverhoor moet
N-US">worden toegelaten. Als de arresten daarover geen uitsluitsel geven, is de slotsom dat het
standpunt van het Europese Hof daarover (nog) niet bekend is.
6.7 Bij de vraag wat de betekenis van beide arresten is, kan ook anders te werk worden gegaan.
Men kan de dynamiek in de jurisprudentie van het Hof als het ware verdisconteren in de
interpretatie en op zoek gaan naar het standpunt van het Europese Hof dat reeds in potentie in
de arresten besloten ligt. De witte plekken (de onduidelijkheden en de open gebleven vragen)
worden dan niet gelaten voor wat zij zijn, maar ingevuld aan de hand van wat redelijkerwijs aan
verdere rechtsontwikkeling verwacht mag worden. De vraag is dan bijvoorbeeld of het op grond
van deze arresten voor (zeer) waarschijnlijk mag worden gehouden dat het Europese Hof in de
nabije toekomst zal uitspreken dat de raadsman tot het politieverhoor moet worden toegelaten.
6.8 Deze tweede, "dynamische" benadering voegt aan de interpretatie een voorspellend element
toe en heeft daardoor al gauw iets speculatiefs. Dat neemt niet weg dat de wetgever die zich
moet bezinnen op de vraag of de thans gewezen arresten reden vormen om de wettelijke
regeling van de rechtsbijstand tijdens het voorarrest te herzien, er mijns inziens wijs aan doet
met de dynamiek in de jurisprudentie van het Europese Hof rekening te houden. Het simpele feit
dat zijn wetten in de toekomst zullen gelden, maakt dat de wetgever zich, zo goed en zo kwaad
als dat gaat, van die toekomst een beeld moet zien te vormen. Hij moet proberen te voorkomen
dat hij achter de feiten blijft aanhollen en dat zijn wetten reeds bij hun inwerkingtreding door de
jongste ontwikkelingen in de rechtspraak van het Europese Hof zijn achterhaald.
6.9 Maar de rechter is niet de wetgever. De rechter is gebonden aan de geldende wet. Hij heeft
bovendien niet alleen met de toekomst, maar ook - en misschien wel in de eerste plaats - met
het verleden te maken: zijn uitspraken hebben immers betrekking op situaties die zijn geweest.
Dat klemt in het onderhavige geval. De Nederlandse strafrechtspleging (waarin niet is voorzien in
een recht van de verdachte op rechtsbijstand vóór of tijdens het eerste politieverhoor) is door de
beide arresten van het Europese Hof overvallen. Dat maakt dat die arresten de overgrote
meerderheid van de lopende strafzaken raken, waarin is verhoord voordat die arresten gewezen
waren en waarin met het nieuwe recht dus nog geen rekening gehouden kon worden. Als
daaraan op grote schaal consequenties moeten worden verbonden (in de vorm van
bewijsuitsluiting en vrijspraak), wordt ernstig tekort gedaan aan het belang van wetshandhaving
en aan de belangen van de betrokken slachtoffers. Daar komt bij dat alleen al de realisering van
een consultatierecht voorafgaande aan het eerste politieverhoor (hetzelfde geldt wellicht in nog
sterkere mate voor de realisering van een aanwezigheidsrecht van de raadsman tijdens alle
politieverhoren) organisatorische en budgettaire voorzieningen vraagt waaraan het thans nog
ontbreekt. Een al te "dynamische" interpretatie van de uitspraken van het Europese Hof kan
derhalve gemakkelijk leiden tot eisen aan het politieverhoor waaraan op de korte termijn niet
kan worden voldaan. Dat noopt mijns inziens tot terughoudendheid.
6.10 Ik kies daarom niet voor een dynamische, maar voor een statische interpretatie. Ik beperk
mij dus tot de vraag wat het standpunt is dat op dit moment op grond van de gewezen arresten
aan het Europese Hof kan worden toegeschreven.
6.11 In het verlengde van het voorgaande ligt dat ik bij de "vertaalslag" naar de Nederlandse
situatie kies voor de invalshoek van de rechter. De vraag die bij de rechter op tafel ligt, is niet,
althans niet primair, hoe het politieverhoor moet worden ingericht om aan de eisen van art. 6
EVRM te voldoen (dat is in eerste instantie een vraag voor de wetgever en de voor de opsporing
verantwoordelijke autoriteiten), maar in welke gevallen de wijze waarop het politieverhoor is
verlopen, meebrengt dat het daardoor verkregen bewijs niet mag worden gebruikt omdat anders
niet van een eerlijk proces kan worden gesproken. Het antwoord op die vraag zegt uiteraard
indirect ook iets over de inrichting van het politieverhoor. Uit dat antwoord valt immers af te
leiden aan welke eisen het politieverhoor op dit moment ten minste moet voldoen wil
bewijsuitsluiting voorkomen worden. De verantwoordelijke autoriteiten van politie en justitie
kunnen daarmee hun voordeel doen.
6.12 Zoals in de volgende paragraaf moge blijken, past de gekozen invalshoek goed bij de
benadering die uit de arresten van het Europese Hof spreekt. Een voordeel van de gekozen
(terughoudende) benadering acht ik daarbij dat de primaire verantwoordelijkheid van de
wetgever voor de oplossing van het vraagstuk wordt gerespecteerd. De ambitie reikt niet verder
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 10 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
dan het bieden van een (nood)oplossing voor de korte termijn. Aldus wordt de tijd gewonnen die
nodig is om tot een meer structurele oplossing te komen.
7. Analyse en interpretatie I (raadsman bij politieverhoor?)
7.1 Om te beginnen wil ik aandacht vragen voor de slotzin van de hiervoor geciteerde § 55 uit
het arrest Salduz : "The rights of the defence will in principle be irretrievably prejudiced
when incriminating statements made during police interrogation without access to a lawyer are
used for a conviction". Wat het Europese Hof hier zegt is niet dat de rechten van de verdediging
in principe onherstelbaar zijn beschadigd als het politieverhoor zonder rechtsbijstand heeft
plaatsgevonden (waarbij de schade "gerepareerd" kan worden door bewijsuitsluiting). Het Hof
stelt dat in beginsel onherstelbare schade optreedt als de bij een dergelijk politieverhoor
afgelegde verklaringen worden gebruikt tegen de verdachte. Het is dus het gebruik van de
eerder afgelegde verklaringen dat de eerlijkheid van het proces tegen de verdachte in de kern
aantast.
7.2 Toevallig is de gebezigde formulering mijns inziens niet. Art. 6 EVRM geeft recht op een fair
hearing, niet op een fair vooronderzoek. Daarin heeft het Europese Hof - terecht - geen beletsel
gezien om zich in voorkomende gevallen uit te spreken over de gang van zaken tijdens het
vooronderzoek. Aan de constructie die het Hof daartoe hanteert, wordt in de zaak Salduz
gerefereerd (§ 50): "Article 6 - especially paragraph 3 - may be relevant before a case is sent
for trial if and so far as the fairness of the trial is likely to be seriously prejudiced by an initial
failure to comply with its provisions". De toepasselijkheid van art. 6 EVRM op het vooronderzoek
loopt dus via - en is dus afhankelijk van - de vraag of niet-naleving van de verdragseisen de
eerlijkheid van de berechting ernstig kan aantasten. Als die ernstige aantasting zich realiseert, is
van een fair trial geen sprake meer. De schending van art. 6 EVRM berust zo gezien op het effect
dat de tekortkomingen in het vooronderzoek op de eerlijkheid van de berechting hebben gehad.
7.3 De onderliggende constructie maakt dat het Europese Hof eventuele gebreken die aan het
vooronderzoek kleven, moeilijk los kan zien van hun effect op de latere berechting. Als de
verdachte zonder enige vorm van rechtsbijstand door de politie is gehoord, maar de zaak
vervolgens (om wat voor reden dan ook) door het openbaar ministerie is geseponeerd, kan van
een schending van art. 6 EVRM geen sprake zijn. Hetzelfde geldt als de belastende verklaringen
die de verdachte tijdens dat verhoor aflegde, bij de latere vervolging en berechting buiten
beschouwing worden gelaten. De eerlijkheid van de berechting kan dan door het gebrek aan
rechtsbijstand bij het politieverhoor niet zijn aangetast. Dat is anders als wél gebruik wordt
gemaakt van de belastende verklaringen. Het is dus inderdaad dit gebruik dat in beginsel
onherstelbare schade toebrengt aan de eerlijkheid van de berechting.
7.4 Tegengeworpen zou kunnen worden dat het Europese Hof in de zaak Panovits voor een
andere aanpak dan de Grote Kamer lijkt te kiezen. In dat arrest worden de "complaints
concerning the pre-trial stage of the proceedings" en de "complaints concerning the use of the
applicant's confession and other evidence in the proceedings" niet alleen duidelijk van elkaar
onderscheiden, maar ook los van elkaar behandeld en beoordeeld. Ik geloof echter niet dat van
een wezenlijk verschil sprake is. Ik wijs er daarbij op dat het Hof bij de behandeling van de
eerste set klachten (de "complaints concerning the pre-trial stage of the proceedings") niet aan
het effect van de inbreuk op de verdedigingsrechten voorbij gaat. Dat effect komt in de §§ 75 en
76 aan de orde. Het is eerst nadat het Hof met betrekking tot de tegenover de politie afgelegde
verklaring had overwogen dat "it was (...) decisive for the prospects of the applicant's defence
and constituted a significant element on which his conviction was based", dat het Hof
concludeerde dat art. 6 EVRM geschonden was. Los van het effect op de berechting stond het
oordeel van het Hof over de inbreuk op de verdedigingsrechten bij het politieverhoor hier dus
evenmin.
7.5 De vraag is nog wel waarom het Hof voor een gescheiden behandeling koos en niet
oordeelde dat de tweede set klachten geen bespreking meer behoefde aangezien de eerste set
klachten reeds gegrond was verklaard. Het lijkt erop dat het Hof van oordeel is dat de klachten
niet in elkaar opgingen. Maar waarin schuilt dan het verschil? Ik kom daarop nog terug.
7.6 Het gegeven dat uitspraken van het Europese Hof over gebreken in het vooronderzoek
geconstrueerd zijn op basis van hun effect op de berechting, heeft intussen een niet
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 11 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
onbelangrijke implicatie. Die uitspraken houden ook, en mijns inziens zelfs vooral, een oordeel in
over het schadelijke effect dat een bepaalde tekortkoming in het vooronderzoek op de latere
berechting heeft of kan hebben. In de zaken Salduz en Panovits sprak het Hof zich uit over
gevallen waarin de tekortkoming in het vooronderzoek hierin bestond dat het bij het
politieverhoor aan iedere vorm van rechtsbijstand had ontbroken. Het schadelijke effect van een
dergelijke tekortkoming is naar het oordeel van het Hof dermate groot, dat in principe niet meer
van een eerlijk proces kan worden gesproken als de afgelegde belastende verklaringen tegen de
verdachte worden gebruikt. Welnu, juist omdat het hier een oordeel betreft dat ook en vooral
betrekking heeft op het teweeggebrachte effect, is het de vraag of dit oordeel mag worden
doorgetrokken naar andere (minder ernstige) gebreken aan de rechtsbijstand bij het
politieverhoor. Het ligt niet voor de hand dat het Hof alle tekortkomingen over één en dezelfde
kam heeft willen scheren. De conclusie dat het Hof dit heeft willen doen, is alleen
gerechtvaardigd indien en voor zover aangenomen mag worden dat de eventuele andere
tekortkomingen naar het oordeel van het Hof een even desastreus effect hebben op de
eerlijkheid van de berechting als het ontbreken van iedere vorm van rechtsbijstand heeft.
7.7 Een belangrijke vraag in dit verband is, waarin het desastreuze effect schuilt. Waarom is het
Hof van oordeel dat de rechten van de verdediging "irretrievably prejudiced" zijn als de
verdachte door de politie is verhoord "without access to a lawyer"? Als ik het goed zie ligt de
verklaring in het uitdrukkelijke verband dat het Hof legt tussen het recht op rechtsbijstand en
het nemo tenetur-beginsel. De "particularly vulnerable position" waarin de verdachte zich bij het
eerste politieverhoor bevindt, kan - zo stelt het Hof in de zaak Salduz (§ 54) - in de meeste
gevallen "only be properly compensated for by the assistance of a lawyer whose task it is,
among other things, to help to ensure respect of the right of the accused not to incriminate
himself". Het Hof voegt daaraan toe: "Early access to a lawyer is part of the procedural
safeguards to which the Court will have particular regard when examining whether a procedure
has extinguished the very essence of the privilege against self-incrimination". Ook in de zaak
Panovits wordt dit verband gelegd (§ 65 en § 83), waarbij eraan wordt herinnerd dat "the right
to silence and the privilege against self-incrimination (...) are generally recognised international
standards which lie at the heart of the notion of a fair procedure under Article 6".
7.8 De vraag waar het uiteindelijk om draait - de vraag die het Hof in de zaak Salduz
onderzoekt - is zogezien of het ontbreken van rechtsbijstand "has extinguished the very essence
of the privilege against self-incrimination". Als dat laatste het geval is, zijn de rechten van de
verdediging "irretrievably prejudiced". Er tekent zich aldus een duidelijke parallel af met de zaak
Teixeira de Castro (EHRM 9 juni 1998, NJ 2001, 471 m.nt. Kn), waarin het ging om het verbod
van uitlokking (incitement) bij pseudokoop. De schending van dit verbod maakte volgens het Hof
dat de verdachte "right from the outset (...) was definitively deprived of a fair trial". De
verklaring lijkt ook hier gezocht te moeten worden in de verklaringsvrijheid van de verdachte.
Het recht om in vrijheid de eigen proceshouding te bepalen, was tot op het bot uitgehold.
7.9 De koppeling die het Europese Hof maakt met het nemo tenetur-beginsel biedt paradoxaal
genoeg ruimte voor enige relativering. Het is op het eerste gezicht vreemd dat het Hof werk
maakt van de vraag of het feit dat de verdachte de cautie is gegeven, betekent dat hij afstand
van zijn recht heeft gedaan ( Salduz , § 59; Panovits, § 74). Wat immers heeft de cautie
met (afstand van) het recht op rechtsbijstand te maken? Als echter het zwaartepunt van de
beoordeling door het Hof ligt bij de vraag "whether a procedure has extinguished the very
essence of the privilege against self-incrimination", past wél dat de cautie daarbij wordt
betrokken. "Early access to a lawyer is", zo stelt het Hof zoals wij zagen, "part of the procedural
safeguards to which the Court will have particular regard" (curs. van mij, Kn). Naast het recht
op rechtsbijstand staan andere waarborgen, waaraan eveneens betekenis toekomt als het gaat
om de vraag of de privilege against self-incrimination geweld is aangedaan. Die andere
waarborgen kunnen onder omstandigheden wellicht maken dat een inbreuk op het recht op
rechtsbijstand niet betekent dat de "very essence" van het zwijgrecht is teniet gedaan.
7.10 Aandacht verdient nog dat het verband dat het Hof legt tussen het recht op rechtsbijstand
en het nemo tenetur-beginsel geen één op één-relatie is. Het Hof vlecht, als hij de taak van de
raadsman omschrijft ("to help to ensure respect of the right of the accused not to incriminate
himself") niet voor niets de woorden "among other things" in. Het nadelige effect van het
ontbreken van rechtsbijstand kan ook uit andere zaken bestaan dan uit het afleggen van een
belastende verklaring. Zo kan ook het (initiële) zwijgen van de verdachte hem in een later
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 12 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
stadium opbreken, omdat daaruit onder omstandigheden adverse inferences kunnen worden
getrokken (zie o.m. de zaak John Murray v. UK, EHRM 8 februari 1996, NJ 1996, 725 m.nt. Kn).
Dat zwijgen kan voorts meebrengen dat ontlastend bewijsmateriaal langer dan nodig verborgen
blijft, of zelfs in het geheel niet meer te achterhalen is. Deze schadelijke effecten treden echter
niet steeds op en zijn bovendien van een wat andere orde. Dat de rechten van de verdediging
daardoor "irretrievably prejudiced" zijn, lijkt in het algemeen te veel gezegd. Een genuanceerde
benadering, waarbij de nadruk valt op het proces "as a whole" lijkt hier meer aangewezen.
7.11 Wellicht kan zo begrepen worden waarom het Europese Hof in de zaak Panovits de vraag of
het recht op rechtsbijstand bij het politieverhoor is geschonden, onderscheidt van de vraag of de
afgelegde bekentenis mocht worden gebruikt (zie hiervoor, punt 7.4 en 7.5). Die vragen vallen in
theorie niet geheel samen. De inbreuk op het recht op rechtsbijstand kan ook andere nadelige
effecten hebben gehad, die mede in het onderzoek moeten betrokken. Bij de vraag of de
bekentenis mocht worden gebruikt, gaat het alleen maar om de vraag of dat gebruik strijd met
het nemo tenetur-beginsel oplevert.
7.12 Welke conclusie kan uit dit alles getrokken worden? Mijns inziens dat het Hof zich in de
zaken Salduz en Panovits uitsluitend heeft uitgesproken over de situatie dat het de
verdachte bij het politieverhoor aan elke vorm van rechtsbijstand heeft ontbroken. Anders
gezegd: met een "police interrogation without access to a lawyer" heeft het Hof alleen het oog
gehad op een verhoorsituatie waarin de verdachte niet de gelegenheid heeft gehad om een
raadsman te raadplegen over de af te leggen verklaring. Het ontbreken van die mogelijkheid van
voorafgaand overleg vormt daarbij de kern van de zaak, niet de fysieke aanwezigheid van de
raadsman bij het politieverhoor. De wijze waarop het Hof in de zaak Panovits de vraag behandelt
of sprake was van een waiver, onderstreept dat. Het Hof wijst erop dat de politie de verdachte
niet heeft geadviseerd "that he could see a lawyer before saying anything to the police" en dat
het onwaarschijnlijk is dat de verdachte zich ervan bewust was "that he was entitled to legal
representation before making any statement to the police". Het is dat ontbreken van
voorafgaand overleg dat de verklaringsvrijheid in de kern aantast en dat de conclusie
rechtvaardigt dat de rechten van de verdediging "irretrievably prejudiced" zijn als de afgelegde
verklaring tegen de verdachte wordt gebruikt.
7.13 Deze conclusie kan toegelicht worden door het fundamentele gebrek waarvan in de arresten
sprake is (het ontbreken van gelegenheid tot voorafgaand overleg) te spiegelen aan eventuele
andere gebreken in de rechtsbijstand bij het politieverhoor. In hun concurring opinions in de
zaak Salduz zeiden in totaal vier rechters het te betreuren dat het Hof in zijn arrest niet
duidelijk tot uitdrukking had gebracht dat de verdachte al direct vanaf het begin van zijn
vrijheidsbeneming recht op rechtsbijstand dient te hebben. Laten we een ogenblik aannemen dat
dit een standpunt is dat aan het Hof kan worden toegeschreven. Stel voorts dat op bedoeld recht
inbreuk is gemaakt: de verdachte heeft een volle dag in een cel doorgebracht zonder een
raadsman te zien. Verhoord is hij daarbij echter niet: zijn eerste verhoor vindt plaats in
aanwezigheid van een raadsman en nadat de verdachte met deze raadsman heeft kunnen
overleggen. Het is dan zeer de vraag of de fairness van de berechting door de gang van zaken
nadelig is be-invloed.(11) Dat lijkt in elk geval niet zonder meer het geval te zijn. Ik kan mij dan
ook niet voorstellen dat het Hof in dit geval zou oordelen dat de rechten van de verdediging
"irretrievably prejudiced" zijn als de afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebruikt. En dat
betekent weer dat er geen goede reden is om aan te nemen dat het Hof dit geval op het oog
had toen hij zich uitsprak over de consequenties van een "police interrogation without access to
a lawyer". Op dat geval heeft die uitspraak dus geen betrekking.
7.14 Op vergelijkbare wijze kan geredeneerd worden als het gaat om de vraag of de raadsman
moet worden toegelaten tot het politieverhoor. Zelfs indien het zo is dat tussen de regels van de
arresten gelezen kan worden dat de raadsman het recht moet hebben de politieverhoren bij te
wonen, zodat een weigering de raadsman toe te laten een inbreuk op de verdedigingsrechten
oplevert, dan nog is daarmee niet gezegd dat het Hof op die inbreuk het oog had toen hij zich
uitsprak over de consequenties van een "police interrogation without access to a lawyer". Er is
naar het mij voorkomt een niet onbelangrijk verschil tussen het geval waarin de verdachte een
bekentenis aflegt zonder dat hij daarover met een raadsman heeft kunnen spreken en het geval
waarin de verdachte voorafgaande aan het politieverhoor met zijn raadsman over de te kiezen
procesopstelling heeft kunnen overleggen en vervolgens buiten aanwezigheid van zijn (niet tot
het verhoor toegelaten) raadsman een belastende verklaring aflegt. In dat laatste geval is het,
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 13 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
juist vanwege het voorafgaande overleg met de raadsman, sterk de vraag of het Europese Hof
zal oordelen dat inbreuk is gemaakt op verdachtes zwijgrecht. Die conclusie lijkt in haar
algemeenheid voldoende grond te missen. De bijzonderheden van het geval kunnen dat uiteraard
anders maken, maar het is juist daarom aannemelijk dat het Hof zijn oordeel of de verdachte
vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn zwijgrecht van die omstandigheden zal laten afhangen.
Een casuïstische aanpak zou hier met andere woorden voor de hand liggen, waarbij het totaal
aan procedurele waarborgen een rol speelt. Van belang is daarom ook of de politie de verdachte
op zijn zwijgrecht heeft gewezen. Van belang kan ook zijn of sprake is geweest van audio-
visuele registratie waaruit de wijze waarop de verklaring is tot stand gekomen, blijkt. Van belang
kan ook zijn of een andere vertrouwenspersoon bij het verhoor aanwezig was, zoals de vader
van de minderjarige verdachte (vergelijk Panovits, § 74). Naast de vraag of het zwijgrecht van
de verdachte is geschonden, staat de vraag of de verdachte door de uitsluiting van de raadsman
bij het verhoor op andere wijze in zijn belangen is geschaad, maar ook dat maakt niet dat de
algemene en vergaande conclusie dat de verdedigingsrechten door die uitsluiting "irretrievably
prejudiced" zijn, voor de hand ligt. Het is daarom onaannemelijk dat het Europese Hof de
uitsluiting van de raadsman bij het politieverhoor heeft willen scharen onder een "police
interrogation without access to a lawyer". De conclusie kan weer zijn dat de uitspraak van het
Hof op dit geval geen betrekking heeft.
7.15 Ik merk op dat ik tot deze slotsom ben gekomen zonder betekenis toe te kennen aan het
veronderstelde verschil tussen "assistance of a lawyer" en "access to a lawyer".(12) Mijn indruk
is dat het Europese Hof deze termen in beide arresten betrekkelijk onbekommerd door elkaar
gebruikt. Ik merk op dat beide termen een vorm van communicatie tussen verdachte en
raadsman lijken te veronderstellen. Het enkele feit dat de raadsman lijfelijk bij het politieverhoor
aanwezig is (zonder zich met de verdachte te mogen verstaan), maakt niet dat gesproken kan
worden van de "assistance of a lawyer" of van "access to a lawyer". De ratio brengt voorts mee
dat het overleg met de raadsman aan het beantwoorden van de vragen vooraf moet gaan. Dat
er - zoals het Hof in de zaak Salduz stelt - rechtsbijstand moet zijn "as from the first
interrogation of a suspect by the police" moet dan ook niet al te letterlijk genomen worden. Als
door de politie eerst een vraag gesteld moet zijn voordat de verdachte recht heeft om met zijn
raadsman te overleggen, moet het politieverhoor vanwege de vertrouwelijkheid van dat overleg
direct na het begin ervan al weer worden onderbroken. Dat is weinig praktisch. Praktisch is als
de verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor met een raadsman kan overleggen. Daarop
komt het dus aan.
8. Analyse en interpretatie II (uitwerking)
8.1 In de vorige paragraaf is geconcludeerd dat de beide arresten van het Europese Hof er niet
toe dwingen aan te nemen dat de raadsman bij het politieverhoor aanwezig moet zijn.
Voldoende en tevens noodzakelijk is dat de verdachte voorafgaand aan het eerste politieverhoor
met een raadsman heeft kunnen overleggen over de in te nemen proceshouding, waaronder in
het bijzonder de vraag of het verstandig is gebruik te maken van het aan de verdachte
toekomende zwijgrecht. De vraag die in deze paragraaf aan de orde is, is wat dit
consultatierecht inhoudt en hoe ver het reikt en tevens hoe absoluut de bewijsuitsluiting is van
verklaringen die zijn verkregen zonder dat sprake is geweest van voorafgaande consultatie.
8.2 Het is daarbij goed om voorop te stellen dat tegenover het consultatierecht van de verdachte
de verplichting van de Staat staat om dat recht te garanderen en te verwezenlijken. Het gaat
daarbij niet om een louter theoretisch recht, maar om een recht dat "practical and effective" is.
Dat roept de vraag op hoever de (inspannings)verplichtingen van de politiële en justitiële
autoriteiten reiken. De regel die het Europese Hof in de zaak Salduz (§ 55) formuleert,
houdt in dat rechtsbijstand "should be provided". Als die rechtsbijstand er niet is geweest, mag
de verklaring in beginsel niet voor het bewijs worden gebruikt. Dat betekent dat de verdachte
feitelijk de mogelijkheid moet hebben gehad om voorafgaande aan zijn verhoor met een
raadsman te overleggen. Voor die feitelijke mogelijkheid moet de Staat zorgen. De vraag is of
dat zo ver gaat dat de autoriteiten voor de aanwezigheid van een advocaat moeten zorgen en de
financiering van de verleende bijstand voor hun rekening moeten nemen.
8.3 De verantwoordelijkheid van de autoriteiten houdt op waar de eigen verantwoordelijkheid
van de verdachte voor de realisering van zijn recht begint. Als bijvoorbeeld de verdachte weigert
gebruik te maken van de diensten van de op het politiebureau aanwezige, door de overheid
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 14 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
"georganiseerde" advocaat met het argument dat hij alleen maar met zijn eigen "topadvocaat"
wenst te spreken (die evenwel weigert om te komen), dan hebben de autoriteiten gedaan wat zij
konden en moet het achterwege blijven van een voorafgaande consultatie op rekening van de
verdachte worden geschoven. Het vraagstuk moet mijns inziens dus in de sleutel van de afstand
van recht worden gezet. Dat brengt mee dat een algemeen antwoord niet is te geven. De
waarborgen waarmee de waiver moet zijn omringd, zijn namelijk afhankelijk van wat er voor de
verdachte op het spel staat en daarmee van de bijzonderheden van het geval. Zie hiervoor de
punten 8.8. tot en met 8.15, waar een en ander nader zal worden uitgewerkt.
8.4 Een prealabele vraag is of de algemene regels die het Europese Hof in § 55 van zijn arrest in
de zaak Salduz formuleert, alleen betrekking hebben op gedetineerde verdachten dan wel
ook gelden voor verdachten die worden ondervraagd terwijl zij zich op vrije voeten bevinden.
Een expliciete beperking tot verdachten die van hun vrijheid zijn beroofd, bevat genoemde
paragraaf niet en is ook elders in het arrest niet te vinden. Daar staat tegenover dat Salduz
een gedetineerde verdachte was en dat zijn klacht wordt besproken onder de kop: "Acces to a
lawyer during police custody". Bovendien hebben de "generally recognised international human
rights standards" waaraan in de §§ 53, 54 en 60 wordt gerefereerd, alleen betrekking op
gedetineerde verdachten. Ten slotte lijkt het gebruik van het woord "interrogation" in § 55 erop
te wijzen dat het Hof ervan is uitgegaan dat de verdachte zich in een situatie bevond waarin hij
tegen zijn wil aan een verhoor wordt onderworpen. Bij een kortstondig en weinig indringend
verhoor op straat lijkt de term "interrogation" minder goed te passen.(13)
8.5 De zaak Panovits brengt ons op dit punt weinig verder. Ook in deze zaak ging het om een
gedetineerde verdachte. Een verschil is dat de klacht wordt behandeld onder een andere kop:
"Complaints concerning the pre-trial stage of the proceedings". Of aan dit verschil veel betekenis
toekomt, lijkt mij echter de vraag. De algemene overwegingen die in § 66 van het arrest ten
beste worden gegeven, lijken zich naar inhoud en strekking niet tot de detentiesituatie te
beperken. Ik noteer in dit verband dat niet van "interrogation" wordt gesproken, maar van "any
questioning by the police". Die overwegingen zijn echter geheel toegesneden op minderjarige
verdachten, waarbij nog komt dat zij een betrekkelijk algemene strekking hebben en weergeven
wat uit eerdere jurisprudentie blijkt. De vraag is daarom of daaraan veel betekenis toekomt als
het gaat om de vraag wat als nieuwe regel voor het verhoren van alle verdachten heeft te
gelden. Ik merk nog op dat deze § 66 uitloopt op de volgende slotzin: "It means that he or she
(...) should be able to understand the general thrust of what is said by the arresting officer and
during his questioning by the police". Dat gesproken wordt van een "arresting officer" zou erop
kunnen wijzen dat gedacht is aan "questioning" die na arrestatie plaatsvindt, maar erg dwingend
is die uitleg niet.
8.6 Het komt mij al met al voor dat er op dit punt geen duidelijkheid bestaat. Derhalve dwingen
de arresten niet tot de conclusie dat hetgeen volgens het Hof "as a rule" heeft te gelden (
Salduz , § 55), ook betrekking heeft op verdachten die niet van hun vrijheid zijn beroofd. Ik
teken daarbij aan dat wat niet als regel heeft te gelden, op grond van de ratio in bijzondere
gevallen wel gelding kan hebben. Daarbij kan in het bijzonder gedacht worden aan het verhoor
van minderjarige verdachten in situaties waarin formeel niet van een arrestatie kan worden
gesproken, maar die door de minderjarige gemakkelijk als onvrij kan zijn beleefd. Ik merk
daarbij op dat de dreiging met arrestatie (als niet meegewerkt wordt aan een verhoor) een
dwangpositie kan opleveren die slechts weinig verschilt van actuele vrijheidsbeneming.
8.7 Ook een andere oplossing is verdedigbaar. In die benadering geldt het recht op consultatie
algemeen, dus ook voor niet van hun vrijheid beroofde verdachten, maar worden in de regel
geen hoge eisen gesteld aan de inspanningsverplichting van de overheid (zodat snel sprake is
van een waiver). Ten aanzien van volwassen verdachten zou bijvoorbeeld in het algemeen
voldoende kunnen zijn dat de verdachte erop is gewezen dat hij als hij dat wil een advocaat kan
raadplegen (waar hij dan wel zelf voor moet zorgen). Ik meen echter dat er, het onder 6.10
verwoorde uitgangspunt indachtig, vooralsnog onvoldoende reden is om voor deze benadering te
opteren.
8.8 Onder punt 6.1 merkte ik op dat de door het Europese Hof geformuleerde uitgangspunten of
regels nogal absoluut zijn geformuleerd, zodat er weinig ruimte is om de bijzonderheden van het
geval mee te wegen. Daarmee is evenwel niet gezegd dat op de regels geen enkele uitzondering
mogelijk is en dat die regels bij hun toepassing op het concrete geval elke flexibiliteit missen. In
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 15 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
het navolgende zal ik ingaan op de vraag of en in hoeverre de nieuwe uitgangspunten de
justitiële autoriteiten beoordelingsruimte laten bij de realisering van het recht op rechtbijstand
van de gearresteerde verdachte bij het politieverhoor.
8.9 Eén uitzondering wordt door het Europese Hof met zoveel woorden in de uitgangspunten
verdisconteerd. De eerste volzin van de kernparagraaf 55 uit het arrest in de zaak Salduz
luidt, voor zover hier van belang: "(...) Article 6 § 1 requires that, as a rule, access to a lawyer
should be provided (...), unless it is demonstrated (...) that there are compelling reasons to
restrict this right.". Het moet daarbij gaan om "compelling reasons that do not prejudice the
overall fairness of the proceedings" (Panovits, § 66). Op deze uitzondering zal ik hier niet
ingaan. Wel merk ik op dat de functie van de zinsnede "as a rule" in de geciteerde volzin niet
geheel duidelijk is. Als het bijzondere geval van compelling reasons de enige uitzondering vormt
op de regel dat "access to a lawyer should be provided", is de bedoelde zinsnede overbodig. Het
zou daarom kunnen zijn dat het Hof toch nog een (andere) slag om de arm heeft willen houden
en zich heeft willen indekken tegen mogelijke andere uitzonderingen op de regel. Ook dit laat ik
verder rusten. Ik concentreer me op de speelruimte die de regels in de betrekkelijk normale
gevallen laten.
8.10 Ook voor het hier aan de orde zijnde recht op "access to a lawyer" geldt dat de verdachte
daarvan vrijwillig afstand kan doen, "either expressly or tacitly" ( Salduz , § 59; Panovits, §
68). Daarbij geldt wat voor een waiver in het algemeen geldt, namelijk dat de afstand van recht
"must be established in an unequivocal manner and be attended by minimum safeguards
commensurate to its importance". Hoe dit algemene uitgangspunt "uitpakt" in het hier bedoelde
geval, is niet geheel duidelijk. Dat komt mede doordat afstand van het zwijgrecht en afstand van
het recht op rechtsbijstand door elkaar lijken te lopen (vergelijk hiervoor, punt 7.9). Dat komt
ook doordat de vereiste minimumwaarborgen afhankelijk zijn van het belang dat met het recht is
gemoeid. Bepaald niet uitgesloten is dat dit belang niet in alle gevallen even groot behoeft te
worden geacht. Indirect kunnen de bijzondere kenmerken van het geval dus toch nog een rol
lass="MsoNormal">spelen. Dat brengt mee dat wellicht enige differentiatie mogelijk is als het gaat om de vraag
welke inspanningen van de autoriteiten worden verwacht om het recht van de verdachte op
rechtsbijstand te realiseren.
8.11 Bij deze differentiatie kan in het bijzonder gedacht worden aan twee factoren die in de
uitspraken van het Europese Hof expliciet naar voren komen. De eerste factor vormt de ernst
van de beschuldiging. In Salduz tegen Turkije overweegt het Hof (§ 54): "These principles
are particularly called for in the case of serious charges, for it is in the face of the heaviest
penalties that the right to a fair trial is to be ensured to the highest possible degree by
democratic societies". Salduz werd veroordeeld tot twee-eneenhalf jaar gevangenisstraf
wegens een terroristisch misdrijf. Panovits werd onder meer tot veertien jaar gevangenisstraf
veroordeeld wegens doodslag. De vraag is hoe het Europese Hof zal oordelen in gevallen waarin
de verdachte geen langdurige vrijheidstraffen boven het hoofd hangen. De tweede factor wordt
gevormd door de leeftijd van de verdachte. In beide zaken kent het Hof veel betekenis toe aan
het feit dat de verdachten nog minderjarig waren. De vraag is hoe de uitgangspunten worden
uitgewerkt als het om volwassenen gaat.
8.12 In de zaak Salduz werd alleen ingegaan op de vraag of de verdachte afstand van zijn
zwijgrecht had gedaan. Het enkele feit dat Salduz een formulier had gekregen waarin zijn
zwijgrecht stond verwoord, was onvoldoende om een waiver te kunnen aannemen (§59). Dat
over een eventuele afstand van het recht op rechtsbijstand werd gezwegen, komt vermoedelijk
omdat Salduz volgens het nationale Turkse recht dit recht niet had. Er was dus geen recht
waarvan afstand kon worden gedaan. In de zaak Panovits lag dit anders. Het Hof constateert dat
noch de verdachte noch zijn vader vóór het verhoor "adequately informed" waren over het recht
om eerst een advocaat te raadplegen (§ 70). Dat maakt dat het Hof het onwaarschijnlijk acht
dat de verdachte zich van zijn recht op rechtsbijstand bewust was (§ 71). Die bewustheid kan
gezien worden als een basisvoorwaarde voor elke afstand van recht. Van een recht waarvan men
zich niet bewust is kan immers moeilijk ondubbelzinnig en uit vrije wil afstand worden gedaan.
Het verweer dat de verdachte een raadsman had kunnen raadplegen als hij daar maar om had
gevraagd, werd dan ook van tafel geveegd (§ 72). Het Hof noteert daarbij dat "the obstacles to
the effective exercise of the rights of the defence" overwonnen hadden kunnen worden als de
autoriteiten "had actively ensured that [the applicant] understood that he could request the
assignment of a lawyer free of charge if necessary". Dit leidt tot de volgende slotsom: "The
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 16 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
passive approach adopted by the authorities in the present circumstances was clearly not
sufficient to fulfil their positive obligation to furnish the applicant with the necessary information
enabling him to access legal representation".
8.13 Uit het voorgaande blijkt dat van de verantwoordelijke autoriteiten een actieve opstelling
wordt verwacht en dat op hen een "positive obligation" rust om het recht van de verdachte op
rechtsbijstand te verzekeren. Tegelijk lijkt de referentie aan de "present circumstances" te
bevestigen dat de inspanning die van de autoriteiten wordt verlangd, afhankelijk is van de
bijzondere omstandigheden van het geval. Daarom kan men zich afvragen of de
inspanningsverplichtingen waarvan in dit geval sprake bleek te zijn, ook gelden in andere
gevallen. In hoeverre worden met andere woorden de eisen die het Hof stelt, gekleurd door het
feit dat het om een minderjarige ging die werd beschuldigd van een zeer ernstig misdrijf? Zou
het Hof de lat minder hoog leggen als het om volwassenen gaat die slechts verdacht worden van
een feit waarop geen vrijheidsstraf is gesteld?
8.14 Met zekerheid valt hierover weinig te zeggen. Het lijkt me echter dat er weinig reden tot
differentiatie is als het gaat om de plicht de verdachte adequaat te informeren. Een
basisvoorwaarde om een waiver te kunnen aannemen, is als gezegd dat de verdachte van zijn
recht op de hoogte is. En dat zal moeten blijken. Met vooronderstelde kennis zal het Hof in dit
geval, mede vanwege de geïsoleerde positie van de verdachte, niet willen werken. Een bijna
noodzakelijke voorwaarde is zogezien dat vaststaat dat de verdachte op zijn rechten is gewezen.
Daarbij teken ik aan dat die informatieplicht een eenvoudig te realiseren waarborg is en dus als
inspanning van de autoriteiten niet te veel is gevraagd.
8.15 De "obstacles" om op eigen kracht raadpleging van een advocaat te realiseren, zijn voorts
voor iedere gedetineerde verdachte groot. Veel reden tot differentiatie is er zogezien niet. Van
de verantwoordelijke autoriteiten mag steeds worden verwacht dat zij, als de verdachte
voorafgaand aan het verhoor een raadsman wenst te spreken, de nodige stappen zetten om dat
te realiseren. Dat betekent in de regel dat zij of wel de verdachte in staat moeten stellen de
advocaat van zijn keuze op te bellen, of wel zelf een advocaat voor de verdachte moeten
benaderen. Verwacht mag voorts worden dat met het verhoor wordt gewacht totdat de
raadsman is gearriveerd en met de verdachte heeft overlegd. Alleen als de advocaat onredelijk
lang op zich laat wachten, kan dit anders liggen.
8.16 Meer twijfel is mogelijk bij de vraag of de "positive obligation" van de autoriteiten zo ver
gaat dat zij de rechtshulp moeten betalen als de verdachte daartoe niet zelf in staat is. In de
zaak Panovits wierp het Europese Hof de Staat Cyprus zoals wij zagen voor de voeten dat de
autoriteiten zich ervan hadden moeten vergewissen dat de verdachte begreep "that he could
request the assignment of a lawyer free of charge if necessary". Het is de vraag of daarin
gelezen kan worden dat art. 6 EVRM de on- of minvermogende verdachte al bij het eerste
politieverhoor het recht geeft op een gratis advocaat. Misschien houdt de passage niet meer in
dan dat het nationale recht van Cyprus de verdachte in dit geval dat recht geeft, zodat het
verwijt slechts is dat de autoriteiten de verdachte daarvan niet in kennis hebben gesteld. Dat
neemt evenwel niet weg dat het recht op gratis rechtsbijstand stevig in art. 6 EVRM is
verankerd. De rechtsbijstand aan on- en minvermogenden dient kosteloos te zijn als "the
interests of justice so require", zo bepaalt art. 6 lid 3 sub c EVRM. Gelet op het grote gewicht dat
het Europese Hof in de zaken Salduz en Panovits toekent aan het recht op "access to a
lawyer" bij het eerste politieverhoor, zou het bijna ongerijmd zijn als het Europese Hof van
oordeel zou zijn dat de "interests of justice" niet vereisen dat die rechtsbijstand gratis wordt
verschaft als de verdachte onvoldoende middelen heeft om zelf een advocaat te betalen.
8.17 Intussen biedt juist dit argument enige ruimte voor differentiatie. Het belang van initiële
rechtsbijstand is namelijk niet in alle zaken even groot. Uit de casuïstische jurisprudentie van het
Europese Hof met betrekking tot de vraag wanneer de "interests of justice" gratis rechtsbijstand
vereisen, blijkt dat de complexiteit van de strafzaak een belangrijke factor is. Heeft een
raadsman toegevoegde waarde of is de zaak zo eenvoudig dat de verdachte de verdediging "in
persoon" moet kunnen voeren? Een andere factor is het belang van de zaak: wat staat er voor
de verdachte op het spel?(14) Nu is het zo dat de meeste jurisprudentie betrekking heeft op het
ontbreken van kosteloze rechtsbijstand in cassatie- en bijzondere appèlprocedures.
Jurisprudentie met betrekking tot het recht op kosteloze rechtsbijstand in het vooronderzoek is
betrekkelijk schaars. Een richtinggevende uitspraak is hier gegeven in de zaak Quaranta tegen
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 17 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
Zwitserland (EHRM 24 mei 1991, NJ 1993, 525). Hier had de verdachte het zowel in het
vooronderzoek als tijdens de behandeling in eerste aanleg aan gratis rechtsbijstand ontbroken.
De zaak was eenvoudig van aard, maar het Hof stelde de "seriousness of the offence of which Mr
Quaranta was accused and the severity of the sentence which he risked" voorop. Alleen al gelet
op het wettelijke strafmaximum (drie jaar gevangenisstraf) had Quaranta kosteloze
rechtsbijstand moeten worden gegeven. Deze lijn wordt doorgetrokken in de zaak Benham tegen
het Verenigd Koningrijk (EHRM 10 juni 1996, 19380/92, Reports 1996 - III). In deze zaak
overwoog het Europese Hof (§ 61): "The Court agrees with the Commission that where
deprivation of liberty is at stake, the interests of justice in principle call for legal representation".
Benham stond terecht voor een (gecompliceerd) belastingdelict waarop drie maanden
gevangenisstraf stond. Daarom had hem gratis rechtsbijstand gegeven moeten worden.(15)
Deze uitspraak had evenwel geen betrekking op het vooronderzoek, laat staan op het ontbreken
van rechtsbijstand bij het eerste politieverhoor.(16) De vraag is of de genoemde uitspraken
maatgevend kunnen worden geacht voor de onderhavige kwestie. (17) Maar het lijkt toch
aannemelijk dat de rechtsbijstand bij het eerste politieverhoor niet kosteloos behoeft te worden
verschaft als de verdenking betrekkelijk lichte en eenvoudige vergrijpen betreft.
8.18 Dan nu de vraag hoe absoluut de regel is dat de zonder "access to a lawyer" afgelegde
verklaring niet tegen de verdachte mag worden gebruikt. Ik stel daarbij voorop dat de ratio van
de bewijsuitsluiting niet, of in elk geval niet alleen, gelegen is in de mogelijke
onbetrouwbaarheid van de afgelegde verklaring. Het Europese Hof legt immers zoals wij zagen
met zoveel woorden een verband met het nemo tenetur-beginsel. Dat brengt mijns inziens mee
dat de verklaring ook niet mag worden gebruikt als aan de juistheid ervan in redelijkheid niet
kan worden getwijfeld. Een vergelijking met de wijze waarop niet-naleving van art. 29 lid 2 Sv
ten onzent wordt gesanctioneerd, is wellicht niet misplaatst. Het enkele feit dat de cautie niet is
gegeven, brengt mee dat de verklaring buiten beschouwing moet blijven.
8.19 Ik merk voorts op dat het "verboden" gebruik zich niet lijkt te beperken tot het gebruik van
de verklaring als bewijsmiddel. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om de rol die de verklaring speelt
bij de beoordeling van verdachtes geloofwaardigheid. In de zaak Panovits (§ 76) vond het
Europese Hof het veelzeggend dat "throughout the course of the first-instance proceedings the
applicant had consistently tried to negate his initial statement, an approach which had a great
impact on the court's assessment of his credibility". Een vergelijking kan hier worden gemaakt
met de zaak Saunders v. UK (EHRM 17 december 1996, NJ 1997, 699 m.nt. Kn, §§71 en 72),
waarin het Europese Hof opmerkte dat het aan de jury voorlezen van Saunders' op zich weinig
incriminerende verklaringen welhaast moet hebben betekend dat de prosecution geloofde dat dit
"assisted their case in establishing the applicant's dishonesty". Het komt er denk ik op neer dat
de afgelegde verklaringen tijdens het proces eenvoudig buiten beschouwing moeten worden
gelaten. Als zij de verdachte worden tegengeworpen, dan worden zij al tegen hem gebruikt.
8.20 Nu houdt het Europese Hof uitdrukkelijk een slag om de arm. Het gebruik van de
verklaringen maakt "in principle" een onherstelbare inbreuk op de rechten van de verdediging.
Niet ieder gebruik leidt dus tot het oordeel dat art. 6 EVRM is geschonden. In zoverre is er
ruimte voor relativering. Mijn indruk is dat het daarbij gaat om een beoordeling van het proces
"as a whole". Dat maakt dat het standpunt van het Europese Hof genuanceerder lijkt te zijn dan
men op het eerste gezicht zou denken. Ik licht dat als volgt toe.
8.21 De grond voor de bewijsuitsluiting ligt als gezegd in de inbreuk die is gemaakt op het
zwijgrecht. Het lijkt daarbij te gaan om een veronderstelling die moet wijken voor de blijk van
het tegendeel. In zowel de zaak Salduz als de zaak Panovits onderzoekt het Hof apart of de
verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn zwijgrecht. In de zaak Panovits is dat
overduidelijk. Nadat het Hof in § 73 heeft vastgesteld dat de verdachte niet vrijwillig afstand
heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand, gaat hij in § 74 in op de vraag of het feit dat de
verdachte herhaalde malen de cautie is gegeven, betekent dat hij geacht kan worden vrijwillig
afstand te hebben gedaan van zijn zwijgrecht. Het Hof beantwoordt die vraag "given the
circumstances of the present case" ontkennend. Daarbij weegt zwaar dat de verdachte
minderjarig was en dat zijn "guardian" niet bij het verhoor aanwezig was. Dat het Hof dit een
relevant punt acht, kan moeilijk iets anders betekenen dan dat voor bewijsuitsluiting geen reden
is als kan worden aangenomen dat de verdachte - ondanks de inbreuk die is gemaakt op zijn
recht op rechtsbijstand - vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn zwijgrecht. Het is de vraag
hoeveel ruimte het Europese Hof darvoor laat. De argumentatie in de zaak Panovits suggereert
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 18 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
dat het Hof anders zou hebben geoordeeld als het om een volwassene was gegaan die door de
politie uitdrukkelijk op zijn zwijgrecht was gewezen. Mogelijk echter gaat het hier slechts om een
gelegenheidsargument dat geen a contrario-redeneringen rechtvaardigt. Van de regel dat de
verdedigingsrechten in beginsel "irretrievably prejudiced" zijn, blijft immers weinig over als de
cautie het gebrek in de regel verhelpt. Aannemelijk is dat veel zal afhangen van de
omstandigheden van het geval, waarbij in het bijzonder gedachte kan worden aan de wijze
waarop het verhoor is verlopen.
8.22 Ook de latere procesopstelling van de verdachte kan een factor van belang zijn. Als de
verdachte achteraf, nadat hij met zijn raadsman heeft gesproken, stelt bij zijn eerdere verklaring
te blijven en tegen het gebruik daarvan geen bezwaar te hebben, vormt dat een aanwijzing dat
bij het eerste verhoor vrijwillig afstand was gedaan van het zwijgrecht. In elk geval kan het
gebruik van de verklaring dan moeilijk unfair genoemd worden. Men zou kunnen zeggen dat dan
"in wezen" recht wordt gedaan op de herhaalde, na consultatie met de raadsman afgelegde
verklaring. Omgekeerd maakt het feit dat de afgelegde verklaring later door de verdachte wordt
aangevochten, het lastiger om te zeggen dat die verklaring geheel vrijwillig is afgelegd. Het lijkt
er dan immers op dat de verdachte destijds niet in staat was om de consequenties van zijn
verklaring te overzien of om te begrijpen wat het proces-verbaal dat hij ondertekende, inhield.
Dat de verdediging in de zaken Salduz en Panovits de juistheid van de afgelegde verklaring
achteraf betwistte, is zogezien een factor van belang. Of het Hof ook tot een schending van art. 6
EVRM zou hebben geconcludeerd als de verdachten op geen enkele wijze bezwaar hadden
gemaakt tegen het gebruik van de verklaring, is zogezien nog maar de vraag.(18)
8.23 Een ander punt is dat het ontoelaatbare gebruik zelf reparabel is. Als de rechter in zijn
vonnis afstand neemt van het gebruik dat de vervolgende instantie ter terechtzitting van de
verklaring heeft gemaakt en uitdrukkelijk overweegt dat hij de verklaring geheel buiten
beschouwing heeft gelaten, zal van een schending van art. 6 EVRM vermoedelijk geen sprake
zijn. Hetzelfde geldt als de rechter in eerste aanleg de verklaring voor het bewijs gebruikt, maar
de rechter in hoger beroep de verklaring alsnog ter zijde stelt. De gemaakte fout is dan hersteld.
8.24 Als laatste factor noem ik de grootte van de rol die de afgelegde verklaring in de
bewijsvoering heeft gespeeld. Van een schending van art. 6 EVRM lijkt geen sprake te zijn als
het gebruik van de verklaring slechts van ondergeschikte betekenis is geweest. Het Europese Hof
lijkt echter niet geneigd dat snel aan te nemen. Onvoldoende is in elk geval dat de afgelegde
verklaring niet het enige bewijs tegen de verdachte is. Indien de verklaring in de bewijsvoering
een "significant element" (Panovits, § 76) vormt, is het gebruik van de verklaring al gauw unfair.
Waar hier precies de grenzen liggen, zal moeten worden afgewacht.
8.25 Nog een enkele opmerking over de vraag of de "vruchten" van de afgelegde verklaring
eveneens van het bewijs moeten worden uitgesloten. Een vergelijking met de zaak EHRM 30 juni
2008, 22978/05 (Gäfgen tegen Duitsland)(19) lijkt hier op haar plaats. Klager stelde onder
dwang bij de politie verklaringen te hebben afgelegd. Deze verklaringen werden niet voor het
bewijs gebruikt. Maar de 'fruits of the poisonous tree' wel: naar aanleiding van bedoelde
verklaringen was door de politie onder meer het stoffelijk overschot gevonden. Het Hof
overwoog dat het gebruik van bewijs dat een gevolg is van een bekentenis verkregen in strijd
met artikel 3 EVRM leidt tot een sterk vermoeden dat het proces als geheel oneerlijk is, net zoals
het geval zou zijn als de bekentenis zelf gebruikt wordt. Aan de hand van alle omstandigheden
van het geval moet worden bepaald of het proces eerlijk is geweest. Het Hof stelde vast dat de
klager zijn bekentenis later had herhaald (en dat klager bij herhaling had gesteld te bekennen
omdat hij spijt had). De herhaalde bekentenis van klager tijdens zijn proces vormde volgens het
Hof de kern van de bewijsconstructie. De overige bewijsmiddelen vervulden slechts een
aanvullende rol. Verder was klager niet in zijn verdedigingsrechten geschaad aangezien hij werd
bijgestaan door een raadsman zodat niet aannemelijk was dat klager geen enkele andere
mogelijkheid had dan het herhalen van zijn bekentenis. In het licht van deze omstandigheden
vond het Hof het proces als geheel niet 'oneerlijk' in de zin van artikel 6 EVRM. De conclusie lijkt
te kunnen zijn dat ook de vruchten in beginsel buiten beschouwing moeten worden gelaten,
maar dat de latere procesopstelling van de verdachte dit anders kan maken (vergelijk punt
8.21).
9. Vertaalslag I (het politieverhoor)
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 19 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
9.1 In paragraaf 7 concludeerde ik dat de uitspraken van het Europese Hof in de zaken Salduz
en Panovits niet dwingen tot de conclusie dat de raadsman tot het politieverhoor moet worden
toegelaten. De conclusie evenwel dat de verdachte voorafgaand aan het eerste politieverhoor
daadwerkelijk de gelegenheid moet hebben gehad om met een raadsman te overleggen over zijn
procesopstelling, lijkt onontkoombaar. Dat betekent dat de Nederlandse strafrechtspleging onder
de Straatsburgse maat is. In deze paragraaf zal ik aangeven aan welke minimumeisen de
(rechtsbijstand bij) het eerste politieverhoor moet voldoen, wil voorkomen worden dat de door
de verdachte tijdens dat verhoor afgelegde verklaringen niet tegen hem kunnen worden
gebruikt.
9.2 Het kan er althans voorlopig voor gehouden worden dat de uitspraken van het Europese Hof
alleen betrekking hebben op verdachten die van hun vrijheid zijn beroofd. Het gaat dus praktisch
gesproken alleen om verdachten die worden verhoord nadat zij zijn aangehouden. Op verdachten
die alleen zijn staande gehouden en bereid zijn ook andere vragen dan die naar hun personalia
te beantwoorden, heeft het gestelde geen betrekking. Ook niet op verdachten die, nadat zij
daartoe zijn "ontboden", vrijwillig op het politiebureau verschijnen om een verklaring af te
leggen. Daarbij zij overigens nog wel opgemerkt dat de bijzonderheden van het geval kunnen
maken dat het ontbreken van adequate rechtsbijstand ertoe kan leiden dat het gebruik van de
afgelegde verklaring toch een schending van art. 6 EVRM oplevert. Dat geldt in het bijzonder als
het om minderjarige verdachten gaat die van een misdrijf worden verdacht (hiervoor, punt 8.6).
Het lijkt raadzaam om het verhoor dan steeds onder zodanige condities te laten plaatsvinden dat
aan de vrijwilligheid van de afgelegde verklaring in redelijkheid niet kan worden getwijfeld.
Daarbij kan uiteraard gedacht worden aan de bijstand van een raadsman, maar ook aan bijstand
door een andere vertrouwenspersonen (zoals de ouders) en aan audio-visuele registratie van het
verhoor.
9.3 Dat het recht op voorafgaande consultatie niet geldt voor verhoren van verdachten die zich
op vrije voeten bevinden, is van belang voor de inspanningsverplichting van de overheid die
tegenover dat recht staat. Met het geven van de cautie kan in beginsel worden volstaan. De
politie hoeft de verdachte er niet op te wijzen dat hij het recht heeft om zich van rechtsbijstand
te voorzien, laat staan dat de politie voor een raadsman moet zorgen. Dat laat onverlet dat het
de verdachte vrij staat om niet te antwoorden of om pas te antwoorden als hij met zijn advocaat
heeft gesproken. Een dergelijk beroep op het zwijgrecht kan meebrengen dat de politie op goede
gronden overgaat tot aanhouding van de verdachte. Vanaf dat moment geldt het
consultatierecht wél.
9.4 De politie zal de aangehouden verdachte er uitdrukkelijk op moeten wijzen dat hij het recht
heeft om eerst een advocaat te raadplegen (hiervoor, punt 8.14). Een "piepsysteem", waarbij de
rechtsbijstand afhankelijk wordt gemaakt van het initiatief van de verdachte, kan dus niet door
de beugel.(20) Tot de adequate voorlichting waarop de verdachte recht heeft, kan behoren dat
hem er in voorkomende gevallen op wordt gewezen dat gebruikmaking van het consultatierecht
verlenging van de vrijheidsbeneming tot gevolg heeft omdat de komst van de raadsman moet
worden afgewacht. Dergelijke voorlichting is in de regel overigens alleen adequaat in gevallen
waarin het de bedoeling is om de verdachte na zijn verhoor (ongeacht de uitkomst daarvan)
heen te zenden. Ook in andere opzichten zal de voorlichting eerlijk moeten zijn en ontbloot van
iedere suggestie dat het onverstandig is om van het recht op rechtsbijstand gebruik te maken.
9.5 Met actieve voorlichting over het recht op rechtsbijstand houdt de positieve verplichting van
de overheid niet op. De verantwoordelijke autoriteiten zullen er voor moeten zorgen dat
daadwerkelijk de mogelijkheid bestaat om met een advocaat te spreken (hiervoor, punten 8.15
e.v). Hoever de inspanningsverplichting daarbij gaat is niet helemaal duidelijk, maar het kan er
voorshands voor worden gehouden dat er ruimte is voor een gedifferentieerde aanpak, waarbij
de vereiste inspanningen afhankelijk zijn van in het bijzonder de ernst van de beschuldiging en
de leeftijd van de verdachte (hiervoor, punten 8.10, 8.11 en 8.16, 8.17). Het is de wetgever die
hier de lijnen zal moeten uitzetten. Los daarvan vraagt de realisering van een recht op
rechtsbijstand dat "practical and effective" is om organisatorische voorzieningen, waaronder
afspraken met de balie - of met individuele advocaten - over bereikbaarheid en inzetbaarheid en
- voor zover het om gefinancierde rechtshulp gaat - over de vergoedingen die de raadsman voor
zijn diensten ontvangt. In afwachting van een en ander zou het volgende tot leidraad genomen
kunnen worden.
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 20 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
9.6 Hoe ernstiger de beschuldiging is, hoe zwaarder het recht op effectieve rechtsbijstand weegt.
Nu wil het "toeval" dat er in gevallen waarin de verdenking een misdrijf betreft waarvoor
voorlopige hechtenis is toegelaten, een organisatorisch kader voorhanden is dat kan worden
benut om de verdachte daadwerkelijk in staat te stellen om voorafgaande aan het verhoor met
een raadsman te spreken. Dat organisatorische kader is de piketregeling voor de
inverzekeringstelling. De suggestie die in het advies van het openbaar ministerie (Standpunt
WBOM) wordt gedaan om de verdachte die eerst een advocaat wenst te spreken in verzekering
te stellen, is een waardevolle. De inverzekeringstelling zal daarbij in de regel dadelijk bevolen
moeten worden en dus niet eerst na afloop van de zesuurstermijn van art. 61 Sv. Voorkomen
moet immers worden dat de duur van de vrijheidsbeneming nodeloos wordt verlengd. Met het
verhoor van de inverzekeringgestelde verdachte dient te worden gewacht tot deze met de
piketadvocaat heeft kunnen spreken. In gevallen waarin anders zou zijn volstaan met de
ophouding voor onderzoek (en de verdachte dus niet in verzekering zou zijn gesteld) zou ernaar
gestreefd moeten worden het onderzoek nadat het verhoor heeft plaats gevonden zo snel
mogelijk af te ronden zodat de invrijheidstelling van de verdachte kan worden gelast. De
verdachte dient namelijk van de gebruikmaking van zijn recht - zoals het Standpunt WBOM het
uitdrukt - "zo min mogelijk het slachtoffer te worden".(21)
9.7 Als de verdenking geen betrekking heeft op een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis
is toegelaten (zodat inverzekeringstelling niet mogelijk is) ontbreekt op dit moment een
organisatorisch kader waarbinnen het recht op voorafgaande consultatie kan worden
geëffectueerd. Het is dus voorlopig een kwestie van behelpen. Ik meen dat het aanvaardbaar is
om onderscheid te maken tussen gevallen waarin de verdenking betrekking heeft op
overtredingen of op misdrijven waartegen als hoofdstraf alleen geldboete is bedreigd en gevallen
waarin de verdenking betrekking heeft op misdrijven waarop wél een vrijheidsstraf is
gesteld.(22)
9.8 In de eerste groep gevallen is het ontbreken van gratis rechtsbijstand weinig problematisch.
Ik wijs er daarbij nog op dat het per definitie gaat om aanhoudingen op heterdaad, hetgeen in
het algemeen maakt dat de zaak betrekkelijk eenvoudig is. In deze gevallen zal de politie er in
de regel mee kunnen volstaan de verdachte de cautie te geven en hem mede te delen dat hij het
recht heeft om desgewenst met een gekozen - en dus door de verdachte zelf te betalen -
raadsman te overleggen. Als de verdachte daarvoor kiest zal de politie de verdachte moeten
bijstaan bij het vinden van een advocaat die bereid is om de verdachte van advies te dienen en
die in staat is binnen een redelijke tijd op het politiebureau aanwezig te zijn. Wat redelijk is,
moet daarbij gezien worden in het licht van de zesuurstermijn. Er moet genoeg tijd overblijven
om de verdachte te kunnen verhoren. In gevallen waarin de verdachte ervan afziet zelf een
advocaat te kiezen, kan dat, ook als financiële motieven daarbij een rol spelen, gezien worden als
een rechtsgeldige afstand van recht. Voor minderjarige verdachten hoeft denk ik geen
uitzondering te worden gemaakt. Wel is het raadzaam te voorzien in vervangende waarborgen
die twijfel over de vrijwilligheid van de afgelegde verklaring kunnen wegnemen. Vergelijk
hiervoor, punt 9.2.
9.9 In de tweede groep gevallen van lichte tot middelzware misdrijven valt niet uit te sluiten dat
het Europese Hof een inbreuk op de verdedigingsrechten zal aannemen als een on- of
minvermogende verdachte niet daadwerkelijk in staat is gesteld om een door de overheid
betaalde advocaat te raadplegen. De verantwoordelijke autoriteiten zouden er derhalve naar
moeten streven op dit punt zo spoedig mogelijk - al was het maar provisorisch - voorzieningen
in het leven te roepen. Dat vergt echter hoe dan ook tijd. Ik meen dat de consequentie daarvan
niet is dat in de tussentijd van het verhoren van on- of minvermogende verdachten die eerst met
een advocaat wensen te overleggen, in deze gevallen moet worden afgezien. Ik wijs er daarbij
op dat het enkele feit dat inbreuk is gemaakt op het recht op rechtsbijstand, nog niet meebrengt
dat art. 6 EVRM als geschonden moet worden aangemerkt indien de afgelegde verklaring voor
het bewijs wordt gebruikt. Voor bewijsuitsluiting is geen reden als het er ondanks de inbreuk op
het verdedigingsrecht voor gehouden kan worden dat vrijwillig afstand is gedaan van het
zwijgrecht (hiervoor, punt 8.21).
9.10 Het komt daarom aan op de wijze waarop het politieverhoor wordt ingericht. Dat verhoor
moet met zodanige compenserende waarborgen worden omkleed dat, indien de verdachte een
verklaring aflegt, het er in de regel voor gehouden kan worden dat die verklaring vrijwillig is
afgelegd. Ik denk daarbij aan de volgende aanvullende waarborgen. (1) Bij het geven van de
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 21 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
cautie moet de verdachte met zoveel woorden op de hoogte worden gesteld van de
zesuurstermijn en moet hem voorts worden verteld dat de duur van de vrijheidsbeneming niet
afhankelijk is van het al dan niet beantwoorden van de vragen. Dit laatste brengt mee dat de
verdachte vooraf wordt medegedeeld dat hij na afloop van het verhoor zal worden
heengezonden, tenzij de verdere ophouding voor onderzoek nodig is in verband met andere
onderzoekshandelingen. (2) Het verhoor mag niet intensief en indringend zijn. Het moet bij wijze
van spreken bij "questioning" blijven en het mag dus niet uitlopen op een "interrogation"
(vergelijk hiervoor, punten 8.4 en 8.5). (3) Uit het proces-verbaal van verhoor moet
genoegzaam blijken dat aan de eisen (1) en (2) is voldaan.
9.11 Ingeval het verhoor een minderjarige verdachte betreft, is het wenselijk om extra
aanvullende waarborgen te stellen. Ik denk daarbij aan (4) audio-visuele registratie van het
verhoor of anders in elk geval een woordelijke verslaglegging daarvan en (5) aanwezigheid van
de ouders of een andere vertrouwenspersoon als de verdachte daar prijs op stelt en dit binnen
de zesuurstermijn gerealiseerd kan worden.
10. Vertaalslag II (bewijsuitsluiting)
10.1 Als de aangehouden verdachte niet de gelegenheid heeft gehad om voorafgaande aan het
eerste politieverhoor met een raadsman te overleggen, wordt "in principle" onherstelbaar
inbreuk gemaakt op de rechten van de verdediging als de afgelegde verklaring tegen de
verdachte wordt gebruikt. Daarbij speelt evenwel de latere procesopstelling van de verdachte
een rol. Als deze bij de berechting geen bezwaar blijkt te hebben tegen het gebruik van de
afgelegde verklaring, levert dat gebruik geen schending van art. 6 EVRM op (hiervoor, punt
8.22). Dat maakt het mijns inziens aanvaardbaar om de bewijsuitsluiting waartoe de uitspraken
van het Europese Hof in de zaken Salduz en Panovits in voorkomende gevallen nopen, in de
sleutel te zetten van art. 359a Sv. Naar Nederlands recht zal een inbreuk op het recht op
voorafgaande consultatie dus aangemerkt - en behandeld - moeten worden als een vormverzuim
in het vooronderzoek. De overeenkomst met het verzuim om de cautie te geven, pleit voor die
inbedding.(23)
10.2 De behandeling als vormverzuim in de zin van art. 359a Sv brengt mee dat de rechter het
gebruik van de verklaring niet in zijn vonnis behoeft te verantwoorden als ter terechtzitting op
het verzuim geen beroep is gedaan. Het is daarbij evenwel de vraag of daarbij onverkort moet
worden vastgehouden aan de strenge eisen die de Hoge Raad in HR 30 maart 2004, NJ 2004,
376 m.nt. YB aan een beroep op onrechtmatig verkregen bewijs heeft gesteld. Ik merk op dat
die eisen in de regel niet in strijd komen met art. 6 EVRM omdat het recht op een eerlijk proces
in het algemeen niet meebrengt dat bewijs dat in strijd met (bijvoorbeeld) art. 8 EVRM is
verkregen, van het bewijs dient te worden uitgesloten.(24) Hier evenwel gaat het om een
verzuim dat het recht op een eerlijk proces volgens het Europese Hof in de kern raakt. De eigen
verantwoordelijkheid die de rechter heeft voor de realisering van verdachtes recht op een eerlijk
proces brengt mijns inziens mee dat hij in voorkomende gevallen de afgelegde verklaring
ambtshalve buiten beschouwing dient te laten. Het enkele feit dat de verdediging haar bezwaren
tegen het gebruik van de verklaring niet in de door de Hoge Raad geëiste vorm heeft gegoten,
zal in de ogen van het Europese Hof bepaald niet de conclusie rechtvaardigen dat de rechten van
de verdediging door dat gebruik niet "irretrievably prejudiced" zijn.(25) De verantwoordingsplicht
van de rechter moet daarbij aansluiten. Ik meen daarom dat aan een verweer ter zake niet al te
hoge eisen dienen te worden gesteld. Voldoende is als bezwaar tegen het gebruik van de
verklaring wordt gemaakt op grond van de stelling dat de verdachte niet voorafgaand aan het
verhoor met een raadsman heeft kunnen overleggen. Misschien moet nog een stapje verder
worden gegaan als de verdachte ter zitting niet door een raadsman wordt bijgestaan. Te
verdedigen valt dat dan ook een verantwoording vereist is als de juistheid van de afgelegde
verklaring wordt betwist op basis van de gang van zaken tijdens het politieverhoor (bijvoorbeeld:
"ik werd onder druk gezet" of: "mijn verklaring is onjuist weergegeven") terwijl uit de stukken
niet blijkt dat de verdachte de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het verhoor met een
raadsman te overleggen. (26)
10.3 Als het politieverhoor voldoet aan de in de vorige paragraaf verwoorde eisen, zal het feit
dat voorafgaand overleg met een raadsman niet heeft plaatsgevonden, als regel geen reden tot
bewijsuitsluiting geven. Aangenomen kan dan worden dat de verdachte rechtsgeldig afstand
heeft gedaan van zijn consultatierecht of althans - in de gevallen bedoeld in de punten 9.9 e.v. -
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 22 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
van zijn zwijgrecht. Het is mijns inziens wenselijk dat de Hoge Raad de rechtspraktijk op dit punt
zekerheid verschaft. Die zekerheid bestaat hieruit dat aangegeven wordt in welke gevallen niet
voor bewijsuitsluiting behoeft te worden gevreesd, hetzij omdat niet van een inbreuk op het
consultatierecht kan worden gesproken, hetzij omdat niet kan worden gezegd dat de voorshands
onvermijdelijke inbreuk op het consultatierecht tot een schending van het nemo tenetur-beginsel
heeft geleid. De constructie is dus niet die van de normering van het politieverhoor (dat is de
primaire verantwoordelijkheid van de wetgever), maar van de normering van de door de rechter
te hanteren bewijsuitsluitingsregel. Dat neemt niet weg dat de politie zich daar voorlopig naar
kan richten.
10.4 De aldus door de Hoge Raad te formuleren bewijsuitsluitingscriteria zijn negatief van aard.
Aangegeven wordt in welke gevallen in elk geval niet tot bewijsuitsluiting zal worden
overgegaan. Daaruit volgt niet dat in andere gevallen wel tot bewijsuitsluiting zal worden
overgegaan. Daaruit volgt slechts dat in die andere gevallen niet kan worden gegarandeerd dat
geen bewijsuitsluiting zal volgen. Dit verschil is niet zonder belang. In toekomstige zaken (dat
wil zeggen zaken waarin het politieverhoor plaats vindt nadat de Hoge Raad - even aangenomen
dat hij daartoe inderdaad overgaat - de eisen heeft geformuleerd waaraan het politieverhoor
moet voldoen om bewijsuitsluiting te voorkomen) valt er veel voor te zeggen om de
geformuleerde eisen ook als positieve bewijsuitsluitingscriteria te hanteren. De politie heeft
daarmee dan immers rekening kunnen houden. De eenvoud en de duidelijkheid zijn er dan mee
gebaat als de politie (en het openbaar ministerie) op die eisen wordt afgerekend. Dat zou
betekenen dat voor toekomstige zaken geldt dat de afgelegde verklaring in gevallen waarin het
politieverhoor niet aan de geformuleerde eisen voldoet, in beginsel zonder meer van het bewijs
dient te worden uitgesloten als de verdediging zich tegen dat gebruik verzet.
10.5 Voor lopende zaken (dat wil zeggen zaken waarin het eerste politieverhoor plaats vond
voordat de Hoge Raad arrest heeft gewezen) ligt dit mijns inziens anders. In die zaken heeft de
politie geen rekening kunnen houden met de geformuleerde eisen. Het komt mij voor dat in die
zaken alleen tot bewijsuitsluiting dient te worden overgegaan als de uitspraken van het Europese
Hof in de zaken Salduz en Panovits daartoe dwingen. En die uitspraken dwingen zoals wij
zagen niet tot een rigoreuze bewijsuitsluiting in alle gevallen waarin bij het eerste politieverhoor
inbreuk is gemaakt op verdachtes recht op "access to a lawyer". Daarbij is vooral van belang dat
(naar vooralsnog mag worden aangenomen) het gebruik van de verklaring niet in strijd komt
met art. 6 EVRM indien ondanks de bedoelde inbreuk op de verdedigingsrechten aangenomen
kan worden dat de verdachte zijn verklaring in vrijheid aflegde (hiervoor, punt 8.21). Daarnaast
is van belang dat ook een gebruik dat slechts van ondergeschikte betekenis is, niet met art. 6
EVRM strijdt (hiervoor, punt 8.24).
10.6 In lopende zaken is dus mijns inziens een casuïstische benadering aangewezen, waarbij van
geval tot geval wordt nagegaan of het tekort aan rechtsbijstand impliceert dat van een vrijwillige
afstand van het zwijgrecht niet kan worden gesproken. Het enkele feit dat de cautie is gegeven,
zal - in elk geval als het om minderjarigen gaat - onvoldoende moeten worden geacht om een
waiver aan te nemen. Veel betekenis zal toekomen aan de omstandigheden waaronder het
verhoor heeft plaatsgevonden en de wijze waarop het is verlopen. Ik merk daarbij op dat de
aanvullende waarborgen waarvan in de punten 9.10 en 9.11 sprake is, hier wel aandachtspunten
opleveren, maar niet maatgevend zijn. Die waarborgen zijn immers bedoeld om vooraf een
discussie over de bruikbaarheid van de verklaring voor het bewijs zoveel mogelijk te voorkomen,
niet om achteraf te beoordelen of vrijwillig afstand is gedaan van het zwijgrecht.
11. Vertaalslag III (de toetsing in cassatie)
11.1 Het uitgangspunt dat een inbreuk op het recht van de verdachte om voorafgaande aan het
eerste politieverhoor een raadsman te raadplegen als een vormverzuim in de zin van art. 359a
Sv moet worden aangemerkt, brengt mee dat niet voor het eerst in cassatie een beroep op dit
vormverzuim kan worden gedaan. Dat kan spanning opleveren met het gegeven dat het
Europese Hof een klacht ontvankelijk acht zodra die klacht "in substance" onder de aandacht van
de verantwoordelijke nationale instanties is gebracht. De klager kan dan niet tegengeworpen
worden dat hij de nationale rechtsmiddelen niet heeft uitgeput. Uiteraard is de Hoge Raad
daaraan niet gebonden als het gaat om de invulling die hij geeft aan zijn eigen taak als
cassatierechter. Maar het gevaar is wel aanwezig dat de wellicht toch al in Straatsburg
bestaande indruk dat het instellen van een cassatieberoep niet een effectief rechtsmiddel is (dat
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 23 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
dus niet meetelt bij de vraag of de nationale rechtsmiddelen wel zijn uitgeput), wordt versterkt.
11.2 Nu levert dat geen voldoende argument op om af te wijken van het uitgangspunt dat niet
voor het eerst in cassatie een beroep op een vormverzuim in het vooronderzoek kan worden
gedaan. De verdachte die de klacht niet in feitelijke instantie opwerpt, heeft daarmee zijn recht
verwerkt. Van de verdediging mag worden verwacht dat zij haar klachten in een zo vroeg
mogelijk stadium naar voren brengt en in elk geval niet opzout om in cassatie successen te
kunnen boeken. Iets anders is dat de positionering ten opzichte van het Hof in Straatsburg wel
een bijkomend argument oplevert om aan de wijze waarop de klacht in feitelijke aanleg is
gepresenteerd, niet al te hoge eisen te stellen. Zie daarover hiervoor, onder punt 10.2.
11.3 Dat aan het verweer niet al te hoge eisen moeten worden gesteld, klemt te meer als het
gaat om zaken waarin de laatste feitelijke behandeling is afgerond vóór of kort na de uitspraken
van het Europese Hof in de zaken Salduz en Panovits. De verdachte en zijn raadsman
kunnen dan moeilijk geacht worden van deze uitspraken op de hoogte te zijn. Dat de verdachte
en zijn raadsman niet met zoveel woorden een beroep op het (nog onbekende) vormverzuim
hebben gedaan, kan zogezien bezwaarlijk als rechtsverwerking worden afgedaan. Dat betekent
mijns inziens dat in elk geval in deze categorie zaken niet strak de hand kan worden gehouden
aan de eisen die de Hoge Raad in het algemeen stelt aan een beroep op art. 359a Sv. Voldoende
zou steeds (dus ook als de verdachte door een raadsman werd bijgestaan) moeten zijn dat tegen
het gebruik van de bij het politieverhoor afgelegde verklaring bezwaar is gemaakt op grond van
de wijze waarop dat verhoor heeft plaats gevonden. Als eenvoudig te hanteren grens zou daarbij
aangehouden kunnen worden dat de bestreden uitspraak vóór 1 januari 2009 moet zijn
gewezen.
12. De bespreking van de middelen
12.1 Terug naar de onderhavige zaak. Ik geef eerst de procesgang en de relevante
overwegingen van het Hof weer. Vervolgens zal ik ingaan op de vraag of de consequentie van de
zojuist besproken arresten van het Europese Hof is dat de klacht slaagt.
12.2 Ten laste van verdachte is het volgende bewezenverklaard:
"hij omstreeks 16 augustus 2006 te Leiden een dvd speler en goederen voorhanden heeft gehad,
terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die voornoemde goederen redelijkerwijs had
kunnen vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof"
Verdachte is daarbij vrijgesproken van de primair tenlastegelegde opzet. Tenlastegelegd was dat
"hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die voornoemde goederen wist, althans
redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof".
12.3 Deze bewezenverklaring berust op bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de DVD-speler en de
andere goederen uit een woning waren ontvreemd. Eén van de twee jeugdige daders verklaarde
dat hij deze spullen bij verdachte in de schuur had laten liggen. Het bewijs dat de verdachte
redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de goederen van misdrijf afkomstig waren, berust
uitsluitend op de op 17 augustus tegenover de politie afgelegde verklaring van de verdachte zelf
(bewijsmiddel 1). Deze verklaring houdt in:
"Op 16 augustus 2006 omstreeks 22.45 uur belde [betrokkene 1] aan bij onze voordeur. Hij
vroeg mij of ik wilde kijken of er politie voor zijn deur zou staan. Ik deed dit. Ik zag geen politie
en vertelde hem dat ook. Hij vertelde mij toen 'tori tori'. Ik wist dat hij bedoelde dat hij iets had
gedaan wat niet goed was. Hij zei dat hij mijn schuur nodig had voor een dag. [Betrokkene 1]
legde de tas zelf in de schuur. Ik had een vermoeden dat de tas van iets afkomstig was wat niet
goed was. Hij vertelde mij dat er in die tas een DVD-speler zat en nog meer dingen. Ik dacht
dat dit wel eens gestolen goederen zouden kunnen zijn."
12.4 Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de verdachte is aangehouden. Uit het proces-
verbaal van zijn verhoor blijkt wel dat hij op 17 augustus 2007 om 20.44 uur op het
politiebureau is gehoord en dat hij daar, nadat hem de cautie was gegeven, als verdachte een
verklaring heeft afgelegd. Verdachte was op dat moment 16 jaar oud. Uit dat proces-verbaal
blijkt niet dat bij het verhoor een raadsman aanwezig was of dat de verdachte van te voren in de
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 24 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
gelegenheid is gesteld om met een raadsman te overleggen.
12.5 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2008 houdt, voor zover
van belang, het volgende in:
"De raadsman deelt mede dat de zitting bij de kinderrechter in eerste aanleg niet goed is
verlopen en dat de weergave in het proces-verbaal van die zitting niet juist is. De verdachte
heeft ter terechtzitting in eerste aanleg anders verklaard dan bij de politie.
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende - zakelijk
weergegeven - :
[Betrokkene 1] heeft bij mijn deur aangebeld. Zoals het in het proces-verbaal van de politie
staat, heb ik het niet verteld. Ik dacht dat de spullen van hem waren. Op zijn verzoek keek ik
wel of er politie was. Dat vond ik niet vreemd. [Betrokkene 1] heeft er niet bij gezegd dat hij de
schuur voor één dag nodig had, alleen dat hij de schuur nodig had. Hij had ruzie gehad met zijn
vader. Ik dacht dat het daar mee te maken had. [Betrokkene 1] zei: 'tori tori' tegen mij. Ik wist
toen niet wat dat betekende.
De oudste raadsheer houdt de verdachte zijn verklaring voor afgelegd bij de politie op 17
augustus 2006, opgenomen op pagina 52-53 van het dossier: "Ik had een vermoeden dat de tas
afkomstig was van iets dat niet goed was.'
De verdachte verklaart hierop, zakelijk weergegeven:
Op het moment zelf dacht ik er niet over na, maar pas de dag erna kreeg ik het vermoeden dat
de tas afkomstig was van iets dat niet goed was. Ik was van plan de spullen naar zijn ouders te
brengen als hij ze niet kwam halen, maar toen kwam de politie al. De verklaring bij de politie is
niet zoals ik hem heb afgelegd.
Gevraagd naar wat er naar zijn mening niet klopt aan die verklaring, wordt de verdachte de
gelegenheid geboden die verklaring te lezen, waarna hij verklaart, zakelijk weergegeven:
Alleen de zin "Ik dacht dat dit wel eens gestolen goederen zouden kunnen zijn" klopt niet. Er
werd gedreigd dat als ik mijn verklaring niet tekende, ik niet naar huis mocht. Ik had geen
keuze. Het was één antwoord en als ik niet toestemde en niet tekende, mocht ik niet naar huis.
De raadsman vraagt akte van deze verklaring van de verdachte.
Op vragen van de voorzitter naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, verklaart
de verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik heb mijn examen gehaald en doe nu de MBO opleiding Marketing&Communicatie. Ik voetbal.
Ik woon nog thuis.
De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de schriftelijke vordering voor. De
advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van de
verdachte ter zake van de impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldheling tot een taakstraf
bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende
jeugddetentie en legt de vordering aan het gerechtshof over. Een kopie van de vordering is aan
dit proces-verbaal gehecht.
De raadsman voert het woord tot verdediging en voert daartoe aan, zakelijk weergegeven:
Dit is een kinderstrafzaak. Kinderen zijn in hun ontwikkeling in een ander stadium dan
volwassenen. Ze denken meestal niet goed na. Het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt, is
dat hij had behoren te weten dat de goederen van een misdrijf afkomstig waren en daarmee
worden aan hem hogere eisen gesteld dan van een kind verwacht mag worden. Het is moeilijk
voor een kind om een link te leggen tussen een vriend die snel naar binnen wil en dat er iets mis
zou kunnen zijn met de tas van die vriend. Pas later kwam de verdachte er achter dat er met die
tas mogelijk iets mis was. Dat is een redelijke verklaring. De gedachtegang dat hij 'redelijkerwijs
had moeten weten' past niet bij een kind. De verdachte zegt dus terecht dat hij hier ten onrechte
zit.
Het proces-verbaal van de politie is geen letterlijke weergave van de verklaring van de
verdachte. Zijn handtekening eronder zegt niet alles. Een kind zal snel zeggen: "Ik teken wel en
zie wel.". De woorden 'tori tori' kent hij niet. Deze zaak moet een waarschuwing voor hem zijn,
maar het is geen strafzaak."
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 25 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
12.6 Verdachte werd door het Hof van de impliciet primair tenlastegelegde opzetheling
vrijgesproken. De impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldheling werd wél bewezenverklaard.
Het verkorte arrest bevat de volgende nadere bewijsoverweging:
"Betrouwbaarheid verklaring verdachte bij politie
Door en namens de verdachte is betoogd dat de verdachte het proces-verbaal van verhoor d.d.
17 augustus 2006 (nummer PL1645/06-154391, pagina 52 en verder van het dossier) heeft
ondertekend omdat hij dan naar huis mocht. Het hof begrijpt dit betoog aldus dat de
betrouwbaarheid van de verklaring in twijfel wordt getrokken, omdat de verdachte het proces-
verbaal met zijn verklaring onder dwang heeft getekend en het niet eens is met de inhoud
daarvan.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Door de verdediging is niet onderbouwd waarom de enkele mededeling van de politie, dat de
verdachte naar huis zou mogen als hij het proces-verbaal van verhoor heeft ondertekend, op
zich een zodanige dwang oplevert dat daardoor de verklaring onbetrouwbaar zou zijn. Bovendien
is uit het ter terechtzitting verhandelde noch uit het dossier gebleken dat door de politie dwang
op de verdachte is uitgeoefend.
Daarnaast is onvoldoende aannemelijk geworden dat de verdachte het niet eens is met de
inhoud van zijn bij de politie afgelegde verklaring. De verdachte is ter terechtzitting in hoger
beroep de gelegenheid geboden aan te geven welke delen van zijn verklaring naar zijn visie niet
in overeenstemming zijn met wat hij verklaard heeft. De verdachte heeft één zin aangewezen als
zijnde onjuist, te weten: "Ik dacht dat dit wel eens gestolen zou kunnen zijn." En het overige
niet betwist. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij de dag nádat hij de tas
van zijn vriend had ontvangen wel een vermoeden kreeg dat de tas afkomstig was van iets dat
niet goed was. Hoewel de bewoordingen van deze verklaringen van de verdachte enigszins
verschillen, geeft dit het hof geen reden om aan te nemen dat de inhoud van het proces-verbaal
van verhoor niet in overeenstemming is met wat de verdachte destijds bij de politie verklaard
heeft. Het hof acht die verklaring dan ook onbetrouwbaar.
Gezien het bovenstaande verwerpt het hof het verweer."
12.7 Het Hof heeft hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd, klaarblijkelijk opgevat als een
bestrijding van de betrouwbaarheid van (de weergave van) het proces-verbaal van het verhoor
van de verdachte door de politie en niet als een beroep op een vormverzuim in de zin van art.
359a Sv. Op zich is dat ook niet onbegrijpelijk. De raadsman heeft immers niet aangevoerd dat
zich bij het verhoor onregelmatigheden hebben voorgedaan en al helemaal niet dat de verdachte
niet de gelegenheid heeft gehad om voorafgaande aan het verhoor met een raadsman te
overleggen. Hiervoor, onder punt 10.2, heb ik echter betoogd dat aan een beroep op het hier
aan de orde zijnde vormverzuim - dat de eerlijkheid van het proces volgens het Europese Hof in
de kern aantast - niet al te hoge eisen dienen te worden gesteld. Dat geldt in het bijzonder als,
zoals in casu het geval is, de behandeling ter terechtzitting plaats heeft gevonden voordat het
Europese Hof uitspraak deed in de zaken Salduz en Panovits (hiervoor, punt 11.3).
12.8 Welnu, de verdachte heeft aangevoerd dat de weergave van zijn verklaring door de politie
niet klopte en dat hij zijn handtekening heeft gezet omdat de politie ermee dreigde dat hij niet
naar huis mocht als hij niet tekende. De raadsman heeft daarbij uitdrukkelijk gewezen op de
minderjarigheid van de verdachte ("Een kind zal snel zeggen: "Ik teken wel en zie wel"").
Daarmee is de klacht "in substance" onder de aandacht van het Hof gebracht: achteraf gezien
(de uitspraken in de zaken Salduz en Panovits waren nog niet gedaan) had het Hof moeten
onderkennen dat het gebruik van de bij de politie afgelegde verklaring de rechten van de
verdediging mogelijk onherstelbaar zou aantasten. Derhalve was onderzoek op dit punt geboden.
12.9 Een volgende vraag is of de verdachte in dit geval aan art. 6 EVRM het recht kan ontlenen
op "access to a lawyer" voorafgaand aan het politieverhoor. Uit de stukken blijkt immers niet dat
de verdachte is aangehouden. Aannemelijk is dat hij "vrijwillig" op het politiebureau verscheen
na door de politie te zijn ontboden. Onder punt 8.6 heb ik geconcludeerd dat het er vooralsnog
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 26 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
voor moet worden gehouden dat hetgeen op grond van de uitspraken in de zaken Salduz en
Panovits "as a rule" heeft te gelden, alleen betrekking heeft op verdachten die van hun vrijheid
zijn beroofd. Daarbij heb ik tegelijk aangetekend dat de ratio meebrengt dat wat niet als regel
heeft te gelden, in bijzondere gevallen wel gelding kan hebben. Daarbij is het verhoor van
minderjarige verdachten met zoveel woorden genoemd. Kortheidshalve verwijs ik naar hetgeen
daar is gesteld.
12.10 Welnu, de minderjarige verdachte werd in dit geval op het politiebureau gehoord, zonder
dat blijkt dat hij voorafgaande aan zijn verhoor met zijn raadsman of met een andere
vertrouwenspersoon (waarbij in het bijzonder aan zijn ouders valt te denken) heeft kunnen
overleggen. Ook blijkt niet dat hij werd verhoord in aanwezigheid van een raadsman of van een
andere vertrouwenspersoon. Van audio-visuele registratie van het verhoor blijkt evenmin. Voorts
is door de verdachte aangevoerd dat de politie dreigde dat hij niet naar huis mocht als hij zijn
verklaring niet ondertekende. Dat de politie die "mededeling" heeft gedaan, is door het Hof
blijkens zijn bewijsoverweging kennelijk aannemelijk geacht. In ieder geval moet daarvan in
cassatie worden uitgegaan. Er lijkt zich derhalve een situatie te hebben voorgedaan waarin al
hetgeen het Europese Hof in § 67 van het arrest in de zaak Panovits overweegt met betrekking
tot de "vulnerability" van minderjarige verdachten, van toepassing is. Het enkele feit dat formeel
geen sprake was van vrijheidsberoving, staat in dit geval dus aan het welslagen van de klacht
niet in de weg.
12.11 Dan nu de vraag of de bij de politie afgelegde verklaring voor zover die door of namens de
verdachte is betwist, tegen de verdachte is gebruikt en zo ja, of dat gebruik van meer dan
ondergeschikte betekenis is te achten. Niet gezegd kan worden dat het Hof de verklaring geheel
buiten beschouwing heeft gelaten. Die verklaring is door het Hof als bewijsmiddel gebezigd. Op
de zitting is de verdachte bovendien over die verklaring aan de tand gevoeld. De verdachte is
daarbij gevraagd de verklaring te lezen en aan te geven wat er aan die verklaring volgens hem
niet klopt. Het Hof heeft daaraan in zijn bewijsoverweging de gevolgtrekking verbonden dat het
proces-verbaal een correcte weergave bevat van het verhoor.
12.12 Ik kan niet zeggen dat de desbetreffende overwegingen mij in alle opzichten begrijpelijk
voorkomen. Dat de verdachte alleen de laatste zin van de afgelegde verklaring als onjuist
aanmerkt, is inderdaad opmerkelijk(27), gegeven het feit dat hij ter terechtzitting óók
aanvoerde dat hij niet wist wat "tori tori" betekende en dat [betrokkene 1] er niet bij had gezegd
dat hij de schuur maar voor één dag nodig had. Maar hoe uit deze discrepantie de conclusie
getrokken kan worden dat onvoldoende aannemelijk is "dat verdachte het niet eens is met de
inhoud van zijn bij de politie afgelegde verklaring", kan ik niet volgen. De gang van zaken ter
terechtzitting lijkt veeleer het vooroordeel te bevestigen dat de jeugd van tegenwoordig slecht is
in tekstverklaren en begrijpend lezen. Ik merk daarbij op dat het mij op het eerste gezicht
aannemelijker voorkomt dat de verdachte (leerling van 4 VMBO) de straattaal van zijn
kameraden begrijpt dan dat hij in staat is om het proza van verbalisanten te doorgronden. Dat
de verdachte ter terechtzitting niet in staat is om aan te geven op welke punten het proces-
verbaal afwijkt van hetgeen hij eerder op de terechtzitting verklaarde, ondergraaft veeleer de
betekenis die aan de ondertekening van de verklaring bij de politie kan worden toegekend. De
verdachte lijkt immers niet in staat om de tekst te begrijpen die hij ondertekende.
12.13 Niet helemaal begrijpelijk vind ik voorts dat het Hof het verschil tussen de bij de politie
afgelegde verklaring ("Ik dacht dat dit wel eens gestolen goederen zouden kunnen zijn.") en de
verklaring ter terechtzitting ("Op het moment zelf dacht ik er niet over na, maar pas de dag erna
kreeg ik het vermoeden dat de tas afkomstig was van iets dat niet goed was"), aanmerkt als
"bewoordingen" die "enigszins verschillen" en dat het Hof daaruit concludeert dat de weergave in
het politieverbaal correct is. Het gaat gelet op hetgeen de verdachte was tenlastegelegd namelijk
niet om een onbeduidend verschil in bewoordingen. Of de verdachte op het moment zelf begreep
dat de goederen gestolen waren of pas een dag later, maakt juridisch een wereld van verschil.
12.14 Maar misschien moeten de overwegingen van het Hof wel geheel anders begrepen worden.
Aandacht verdient hier dat het Hof heeft vrijgesproken van de primair tenlastegelegde opzet.
Dat bevreemdt, omdat uit de bewijsmiddelen dit opzet (waaronder ook voorwaardelijk opzet
valt) zonder meer valt af te leiden. Dat wijst erop dat het Hof de laatste zin uit de verklaring van
de verdachte ("Ik dacht dat dit wel eens gestolen goederen zouden kunnen zijn.") niet heeft
uitgelegd in die zin dat de verdachte op het moment van verkrijging al wel dacht dat het om
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 27 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
gestolen goederen ging. In die uitleg van de verklaring - die in cassatie moet worden
geëerbiedigd - is het Hof dus niet wezenlijk afgeweken van de verklaring die de verdachte ter
terechtzitting aflegde. Dat de verdachte een dag later spontaan bedacht dat de goederen wel
eens gestolen zouden kunnen zijn, is daarbij redengevend voor het bewijs, omdat dit gegeven
bijdraagt aan de conclusie dat de verdachte op de dag zelf redelijkerwijs had kunnen vermoeden
dat de goederen van misdrijf afkomstig waren.
12.15 Ik merk op dat, als het gebruik van het slot van de verklaring inderdaad in de zojuist
bedoelde zin begrepen moet worden, de bewezenverklaarde schuldheling dan nog steeds zonder
moeite uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Dat geldt ook als uit de bewijsmiddelen wordt
weggedacht dat de verdachte begreep wat "tori tori" betekende en dat [betrokkene 1] had
gezegd dat hij de schuur maar voor één dag nodig had. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat
[betrokkene 1] 's avonds laat bij verdachte aanbelde en hem vroeg om te gaan kijken of er
politie bij [betrokkene 1] voor de deur stond. Vervolgens vroeg deze [betrokkene 1] hem of hij
een tas met daarin onder meer een DVD-speler bij verdachte in de schuur mocht leggen. Dat is
naar het mij voorkomt op zich reeds voldoende om te kunnen concluderen dat verdachte
redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat het om gestolen goed ging. Daar komt dan nog bij dat
[betrokkene 1] de woorden "tori tori" sprak, die door de verdachte zijn onthouden en die zijns
inziens iets te betekenen hadden (anders immers zou de verdachte daarover niet bij de politie
hebben verklaard). Als de verdachte niet begreep wat [betrokkene 1] bedoelde, had het
(gegeven de verdachte omstandigheden waaronder [betrokkene 1] zijn verzoek deed) op
verdachtes weg gelegen om daarover opheldering te vragen. Daar komt dan bovendien bij dat
het inzicht de volgende dag bij verdachte wel doorbrak, zodat niet gezegd kan worden dat hij -
al dan niet vanwege zijn jeugdige leeftijd - de geestelijke capaciteiten miste om te kunnen
vermoeden dat de goederen gestolen waren.
12.16 Tot welke slotsom leidt dit alles? Als het zou gaan om wat ik een "toekomstige zaak" heb
genoemd, zou een rechtlijnige aanpak in cassatie denk ik aangewezen zijn geweest (hiervoor,
punt 10.4). Nu het evenwel gaat om een zaak waarin het Hof geen rekening heeft kunnen
houden met de arresten Salduz en Panovits, laat staan met door de Hoge Raad
geformuleerde richtinggevende criteria, is bepalend of het gebruik van de (betwiste onderdelen
van) de verklaring in casu als een schending van art. 6 EVRM moet worden aangemerkt.
Aangezien de betwiste onderdelen zonder probleem uit de bewijsconstructie kunnen worden
weggelaten (en dus eigenlijk overbodig zijn) kan het ervoor gehouden worden dat het gebruik
van het bewijsmateriaal slechts van zeer ondergeschikte betekenis is geweest. Van een
schending van art. 6 EVRM kan derhalve niet worden gesproken.
12.17 Over de niet geheel begrijpelijk bewijsoverweging van het Hof (hiervoor, punten 12.12 en
12.13) kan daarbij worden heengestapt. Welwillend gelezen heeft het Hof in nogal ongelukkige
bewoordingen tot uitdrukking willen brengen dat het proces-verbaal van het verhoor dat de
politie opmaakte in grote lijnen en in elk geval op de meest relevante punten een betrouwbare
weergave bevat van hetgeen de verdachte bij de politie had verklaard (vergelijk punt 12.14). In
elk geval kan gezegd worden dat het gebrek aan begrijpelijkheid geen afbreuk doet aan de
toereikendheid van de bewijsmotivering in haar geheel, aangezien dat gebrek slechts betrekking
heeft op een ondergeschikt punt in de bewijsconstructie.
12.18 Over de afzonderlijke deelklachten die in de middelen worden opgeworpen, meen ik kort
te mogen zijn. Voor zover het eerste middel de zelfstandige klacht bevat dat aan verdachte niet
tijdig voorafgaand aan zijn verhoor door de politie een raadsman is toegevoegd, moet daaraan
voorbij worden gegaan omdat niet geklaagd wordt over een beslissing van de rechter die de
bestreden uitspraak heeft gewezen. De klacht van het tweede middel dat op de verdachte
ongeoorloofde pressie is uitgeoefend om de verklaring te ondertekenen, faalt reeds omdat een
verweer van die strekking niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd. De klacht van het
derde middel dat het Hof verdachtes verklaring heeft gedenatureerd, faalt bij gebrek aan
feitelijke grondslag. De klacht van het vierde middel dat het bewezenverklaarde niet uit de
bewijsmiddelen kan worden afgeleid, faalt omdat dit - naar ik reeds heb uiteengezet - wel het
geval is.
12.19 De middelen falen derhalve.
13 Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 28 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
14 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie o.m. NRC Handelsblad, 4 december 2008, 'Recht op aanwezigheid advocaat bij verhoor'.
2 Zie R. Malewicz en G.P. Hamer, "U kunt er nu niet bij" is niet langer acceptabel, Advocatenblad
19 december 2008, p. 787; M. Borgers, 'Een nieuwe dageraad voor de raadsman bij het
politieverhoor?', NJB 16 januari 2009, afl. 2, p.88-93 en T. Spronken, 'Ja, de zon komt op voor
de raadsman bij het politieverhoor!', NJB 16 januari 2009, afl. 2, p. 94-100.
3 Aanhangsel Handelingen II 2008-2009, nr. 1377.
4 Het zogenoemde "Standpunt WBOM inzake Salduz vs Turkije" van 18 december 2008.
5 Het ging daarbij om de vraag of de raadsman voortaan toegelaten moet worden tot het
politieverhoor. Zie de afwijzende beslissing van de de voorzieningenrechter in de Rechtbank
Amsterdam van 18 december 2008 (zaaknummer/ rolnummer: 415193 / KG ZA 08-2381
SR/TF).
6 Een dergelijke ontwikkeling heeft zich in het Verenigd Koninkrijk voorgedaan. Zie C.J.C.F.
Fijnaut, De toelating van de raadsman tot het politiële verdachtenverhoor, in: Het vooronderzoek
in strafzaken, Tweede interimrapport onderzoeksproject Strafvordering 2001, Deventer 2001, p.
740, 741.
7 Zie bijv. de zaak Stafford v. UK (EHRM 28 mei 2002, appl. no. 46295/99), § 68.
8 Zie voor een overzicht Spronken en Attinger, 'Procedural Rights in Criminal Proceedings:
Exisiting Level of Safeguards in the European Union.', 12 december
2005.http://arno.unimaas.nl/show.cgi?fid=3891>. In het onderzoek van Spronken c.s. wordt
gerefereerd aan het Voorstel voor een Kaderbesluit van de Europese Commissie over bepaalde
procedurele rechten in strafprocedures binnen de gehele Europese Unie, Brussel 28 april 2004,
(COM (2004) 328), waarin de verdachte een consultatierecht was toebedeeld.In de huidige,
uitgeklede versie van het Voorstel voor een Kaderbesluit is daarvan niets terug te vinden. Zie de
Bijlage bij de Nota van het voorzitterschap van 5 juni 2007 (DROIPEN 56, 10287/07).
9 Zie C.J.C.F. Fijnaut, 'De toelating van de raadsman tot het politiële verdachtenverhoor', in: Het
vooronderzoek in strafzaken, Tweede interimrapport onderzoeksproject Strafvordering 2001,
Deventer 2001, p. 754. Zie ook het Algemeen Deel van hetzelfde interimrapport, p. 60 e.v.
10 Deze experimenten zijn een gevolg van een door onder anderen het toenmalige kamerlid
Dittrich ingediende motie (Zie Kamerstukken II 2006-2007, 30800 VI, nr. 14; zie voor de
behandeling van deze motie TK 2006, 17-1188 en 19-1445). Het experiment is op 1 mei 2008
van start gegaan in de politieregio's Amsterdam-Amstelland en Rotterdam-Rijnmond. De
minister van Justitie heeft de Tweede Kamer over het experiment ingelicht bij brieven van 11
december 2006, 1 mei 2007, 29 juni 2007 (Kamerstukken II 2006-2007, 30800 VI nrs, 30, 86
en 113) en 9 juli 2008 (Kamerstukken II 2007-2008, 31200 VI, nr. 180).
11 Ik wijs er daarbij op dat Judge Zagrebelsky het recht op rechtsbijstand niet alleen lijkt te
baseren op de "requirements of a fair trial". Daarnaast is vereist dat de verdachte "be able to
obtain (and that defence counsel be able to provide) the whole wide range of services
specifically associated with legal assistance, including (...) support to an accused in distress,
checking his conditions of detention and so on".
12 Zie M. Borgers, 'Een nieuwe dageraad voor de raadsman bij het politieverhoor?', NJB 16
januari 2009, afl. 2, p.88-93 en T. Spronken, 'Ja, de zon komt op voor de raadsman bij het
politieverhoor!', NJB 16 januari 2009, afl. 2, p. 98,99. Zie ook de al genoemde uitspraak van de
voorzieningenrechter in Rechtbank Amsterdam 18 december 2008, LJN BG7496.
13 Ik merk nog op dat de concurring opinions van de rechters Bratza en Zagrebelsky (joined by
Casadevali en Türmen) lijken te onderstrepen dat het Hof uitsluitend het oog heeft gehad op
gearresteerde verdachten: "The legal principle to be derived from the judgment is therefore that
(...) an accused person in custody is entitled, right from the beginning of police custody or pre-
trial detention, to be visited by defence cousel (...)".
14 Zie bijvoorbeeld de zaak Granger vs UK, EHRM 28 maart 1990, Serie A 174, waarin het ging
om het ontbreken van gratis rechtsbijstand in de leave to appeal procedure. Het Hof noteerde
dat aan Granger in eerste aanleg vijf jaar gevangenisstraf was opgelegd en overwoog: "There
can thus be no question as to the importance of what was at stake in the appeal".
05-04-10 13:52
Rechtsorde.NL
Pagina 29 van 29
http://www.rechtsorde.nl/veilig/index.aspx
15 Zie ook Synnelius en Edsbergs Taxi BV tegen Zweden (44298/02). Het ging hier om een forse
fiscale boete. Het Hof neemt hier in aanmerking dat die boete volgens het Zweedse recht niet
kon worden omgezet in een vrijheidsstraf. "Consequently, the (...) applicant never faced a risk of
being deprived of his liberty".Daaruit kan niet meer worden afgeleid dan dat niet uitgesloten is
dat ook eventuele vervangende hechtenis een rol speelt bij de vraag naar de ernst van de
beschuldiging. Het ging om een ontvankelijkheidsbeslissing, waarin het ontbreken van de
dreiging van een vervangende vrijheidsstraf een bouwsteen vormde voor het oordeel dat de
klacht "manifestly ill-founded" was.
16 Daarop had wel betrekking de zaak Hedström Axelsson tegen Zweden (EHRM 6 september
2005 (66976/01). De klacht werd niet-ontvankelijk verklaard omdat tijdens de bewuste
politieverhoren geen vragen waren gesteld met betrekking tot de moord waarvan klager werd
beschuldigd, terwijl hij in alle andere stadia van het geding voorzien was van rechtsbijstand.
17 Het gaat om een aparte kwestie met een eigensoortige problematiek. Zo kan het gebrek aan
rechtsbijstand in het vooronderzoek of bij de berechting in eerste aanleg vaak voor gerepareerd
gehouden worden door volledige rechtsbijstand in de latere fasen van het geding (zie
bijvoorbeeld Toeva tegen Bulgarije EHRM 9 september 2004; 53329/99). In de zaken Salduz
(§ 58) en Panovits (§ 75) wilde het Hof evenwel van een dergelijke compensatie niet weten.
Dat heeft alles te maken met "the nature of the detriment"(de inbreuk op het zwijgrecht). Daar
staat misschien tegenover dat de kosten van een eenmalig advisering relatief laag zijn, zodat de
meeste burgers in staat moeten worden geacht die kosten zelf op te brengen.
18 Dat is een nogal theoretische vraag omdat een eventuele klacht waarschijnlijk zal stranden
op het vereiste dat de nationale rechtsmiddelen niet zijn uitgeput.
19 NJ 2009, 20 m.nt. YB. De zaak is verwezen naar de Grote Kamer.
20 In het door het openbaar ministerie naar alle parketten gezonden advies (Standpunt WBOM)
wordt wel van een dergelijk "piepsysteem" uitgegaan.
21 Niet ge-eist kan worden dat de verdachte wordt vrijgelaten binnen de zesuurstermijn die
anders gegolden zou hebben. Met het wachten op de piketadvocaat kan immers nogal wat tijd
gemoeid zijn, die niet "verloren" zou zijn als dadelijk met het verhoor begonnen had kunnen
worden.
22 Deze grens is uiteraard enigszins arbitrair. Daarmee blijf ik aan de veilige kant. Zie daarover
de in punt 8.17 besproken jurisprudentie van het Europese Hof.
23 Een andere mogelijkheid is dat aansluiting gezocht wordt bij het gebruik van anonieme
verklaringen. Die benadering brengt mee dat de rechter in beginsel steeds in zijn vonnis
verantwoording dient af te leggen van het gebruik van een verklaring die in strijd met
verdachtes consultatierecht tot stand is gekomen. Een verschil is evenwel dat de
motiveringsplicht ingeval van anonieme verklaringen betrekking heeft op de betrouwbaarheid
ervan, terwijl het bij een schending van het consultatierecht primair gaat om de rechtmatigheid
van de bewijsgaring.
24 Zie o.m. EHRM 12 mei 2000, NJ 2002, 180, m.nt. Sch.(Khan tegen het Verenigd Koninkrijk)
en EHRM 5 november 2002, NJ 2004, 262 m. nt. Sch. (Allan tegen eht Verenigd Koninkrijk).
25 Ik merk in dit verband nog op dat voor de vraag of de nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput,
voldoende is dat de klacht "in substance" onder de aandacht van de nationale autoriteiten is
gebracht. Zie bijv. EHRM 6 november 1980, 7654/76 (Van Oosterwijck tegen België)
26 Misschien moet ook een ambtshalve verantwoording worden verlangd als de zaak bij verstek
wordt afgedaan en niet vastgesteld kan worden dat de verdachte van de zitting op de hoogte
was.
27 Nog opmerkelijker is misschien dat de raadsman van deze verklaring - die niet strookte met
wat de verdachte eerder had verklaard - uitdrukkelijk akte vroeg.
Bron: Singel Advocaten 2010; mr. Sander Arts


